Rapport: Waarom de KNMI-scenario’s niet zullen uitkomen

Rob de Vos (blogger op klimaatgek.nl) en ik publiceren vandaag een rapport bij Stichting de Groene Rekenkamer over de KNMI-scenario’s. Het is een zeer lijvig rapport geworden waaraan we maanden hebben gewerkt. Er zitten zeer veel verschillende boodschappen in het rapport, te veel om hier kort samen te vatten. Lees vooral de samenvatting van vijf pagina’s als je een goede eerste indruk van het rapport wilt krijgen. Hieronder volgt het integrale persbericht.

PERSBERICHT
11 januari 2018

‘Waarom de KNMI-scenario’s niet zullen uitkomen’

De recente veranderingen van het Nederlandse klimaat zijn goed te ‘verklaren’ zonder grote invloed van broeikasgassen. Meer zon en een veranderde luchtcirculatie hebben vermoedelijk een aanzienlijk effect gehad op zowel de temperatuur als neerslag in Nederland. Dat is een van de hoofdconclusies van het rapport ‘Waarom de KNMI-scenario’s niet zullen uitkomen’. Het rapport is geschreven door wetenschapsjournalist Marcel Crok en klimaatblogger Rob de Vos en uitgebracht door Stichting De Groene Rekenkamer.

De titel van het rapport is een knipoog naar het KNMI dat volgens de auteurs veel te stellig is over claims uit de in 2014 gepubliceerde KNMI-scenario’s. Zo schrijft het KNMI in haar brochure over de scenario’s dat “[d]e temperatuur in Nederland verder [zal] stijgen” en “[o]p jaarbasis ligt de opwarming in Nederland tussen 1,0 en 2,3°C rond 2050”. Het KNMI erkent in achtergronddocumentatie echter dat aan de KNMI-scenario’s überhaupt geen kansen te verbinden zijn. Het is dus niet te zeggen of de kans op 1 tot 2,3°C aan opwarming in 2050 1% of 99% of welk percentage dan ook zal zijn. Het taalgebruik van het KNMI suggereert echter een 100% zekerheid dat de opwarming in de range 1-2,3°C zal liggen en dat is onjuist.

Veel meer zon
De gemiddelde temperatuur in Nederland is sinds 1900 gestegen met zo’n 1,8°C en het KNMI schrijft die opwarming haast stilzwijgend toe aan broeikasgassen. Dit rapport stelt echter dat veranderde luchtcirculatie misschien wel de belangrijkste factor geweest is voor de toename van de temperatuur in ons land. Een grotere aanvoer van zachte lucht vooral in de winter (meer zuidwestenwind) leidde tot een snelle toename van de temperatuur vanaf eind jaren ’80. Ook het schoner worden van de lucht boven ons land heeft ervoor gezorgd dat vanaf de jaren ’80 de hoeveelheid zonnestraling met maar liefst 10% is toegenomen (gemiddeld een uur meer zon per dag). Het is aannemelijk dat ook deze zogenoemde brightening een rol heeft gespeeld bij de opwarming.

Extreme neerslag niet extremer
Het is algemeen geaccepteerd in het Nederlandse publieke debat over klimaatverandering dat extreme neerslag in Nederland steeds extremer aan het worden is. Dit rapport kan die conclusie echter niet bevestigen. Weliswaar zijn er meer dagen met extreme neerslag maar uit de neerslagmetingen van het KNMI blijkt niet dat extreme neerslag ook extremer is geworden, dat wil zeggen dat buien intensiever zijn geworden.
De totale neerslag is in Nederland wel toegenomen maar piekte in 2000 en is inmiddels weer terug op een niveau van zo’n 800 mm/jaar. Dat is het niveau dat we kennen uit de jaren ’60 van de vorige eeuw.

Al twintig jaar nagenoeg geen opwarming
Het rapport laat ook zien dat de opwarming in Nederland grotendeels te herleiden is tot een sprong eind jaren ’80. De laatste twintig jaar staat de opwarming in Nederland nagenoeg stil. In dezelfde periode is het CO2-gehalte van de atmosfeer met bijna 12% gestegen. De KNMI-scenario’s suggereren echter dat de temperatuur tot 2050 gemiddeld iedere tien jaar 0,18 °C (het gematigde scenario) tot maar liefst 0,42 °C (het warme scenario) warmer zou moet worden. Ook de historisch waargenomen zeespiegelstijging langs de Nederlandse kust ligt met 1,8 mm/jaar ver beneden de verwachtingen in de KNMI-scenario’s (2,7 mm/jaar tot 7,3 mm/jaar tot aan 2050).

Het KNMI zou meer aandacht moeten besteden aan het vergelijken van hun modelsimulaties met de recente veranderingen in het Nederlandse klimaat om te laten zien hoe goed of hoe slecht de modellen overeenkomen met de waarnemingen.

Overgevoelig
Er zijn sterke aanwijzingen dat modellen ‘overgevoelig’ zijn voor CO2 en dus te veel opwarming ‘produceren’. Bovendien stelt het rapport dat het “warme scenario” van het KNMI (dat gebaseerd is op het RCP8.5-scenario van het IPCC) onaannemelijk is. Dit scenario gaat uit van een vertienvoudiging van steenkoolgebruik in 2100 en wordt door experts inmiddels als onrealistisch bestempeld en zou eigenlijk niet meer als referentie gebruikt moeten worden voor beleidsstudies.

Op basis van bovenstaande achten de auteurs het niet aannemelijk dat de KNMI-scenario’s zullen uitkomen.

Het rapport is te downloaden via De Groene Rekenkamer.

 

Door | 2018-01-11T13:29:07+00:00 11 januari 2018|Analyse, KNMI, Nieuws|35 Reacties

35 Reacties

  1. Jos Hagelaars 11 januari 2018 om 21:29 - Antwoorden

    Ik heb het rapportje even vluchtig doorgescand, veel bekend spul dat al vaker is besproken op onze website.
    Enkele dingen die me in de gauwigheid opvielen:

    – Er is geen enkele vermelding van de recente studies over de klimaatgevoeligheid die laten zien wáárom de categorie van de observationele ECS berekenmethode afwijkt van de andere bewijscategorieën. Een heleboel van die studies mét referenties en citaat staan onderaan dit blogstuk:
    https://klimaatverandering.wordpress.com/2017/12/11/klimaatdebat-bij-rtl-z-wetenschappelijk-gefundeerd-realisme-en-gecherrypickte-meningen/

    – De grafiek met het goochelwerk van Spencer is ook maar weer eens van stal gehaald:
    https://klimaatverandering.wordpress.com/2014/02/12/spencers-grafiekengoochelarij/

    “Dat komt onder andere doordat de makers de y-as niet bij 0 laten beginnen en de x-as korter is weergegeven dan de y-as. Dezelfde datareeks maar met een iets andere lay-out ziet er al heel anders uit (figuur 3.5)”
    Wat een onzin is dit. Waarom maak je de y-as niet nog wat groter zodat er van de trend helemaal niets meer te zien is.

    “Opmerkelijk genoeg staat de temperatuurontwikkeling in ons land al twintig jaar vrijwel stil.”
    Er is een grafiekje afgedrukt over 1997 t/m 2016 van de temperatuur in De Bilt. Ik kom op basis van de KNMI CNT (Central Netherlands Temperature) op 0,06 °C/decennium. Belangrijker is de onzekerheid in de trend over die periode, iets dat ontbreekt in het rapport. Deze onzekerheid, rekening houdend met autocorrelatie, is: ±0,43 °C/decennium.
    Deze onzekerheid is dermate groot dat elke uitspraak over stijging of daling of stilstand over zo’n korte periode helemaal nergens op slaat.

    “De blauwe lijn (een lineaire regressielijn) domineert het beeld en suggereert een alsmaar toenemende neerslag. Terwijl de door ons getoonde figuur meer de variabiliteit benadrukt en de afname na 2000 duidelijker zichtbaar maakt.”
    Meer onzin. De variatie in de data is meer dan duidelijk in de KNMI figuur en uit zich ook een grotere onzekerheid in de trend, keurig weergegeven door het confidence interval (blauwe stippellijnen). Iets dat weer ontbreekt in grafiek met de opgerekte y-as.

    “De verwachting is dat de komende decennia de zeespiegel in hetzelfde tempo zal stijgen als die al ruim 100 jaar doet.”
    Daar denkt de wetenschap toch volledig anders over. Daarbij is de zeespiegelstijging vanaf begin jaren 1990 een stuk groter dan de zeespiegelstijging over de afgelopen 100 jaar.
    https://klimaatverandering.wordpress.com/2017/08/07/versnelt-de-zeespiegelstijging-deel-1/

  2. Paul B 12 januari 2018 om 06:56 - Antwoorden

    Marcel en Rob, proficiat en bedankt voor dit rapport. Ik heb het nog slechts sprongsgewijs verkend, maar vind het prettig lezen, door de goede schrijfstijl, de duidelijke illustraties en doordat het overal jullie gezonde onderzoeksmentaliteit ademt. Ik volg jullie beider werk al langer en vind het verfrissend zoals jullie steeds pogen de data zo vrijuit mogelijk hun verhaal te laten doen, wat vaak verrassende conclusies oplevert.
    Ik las net ook de eerste reactie, die van Jos Hagelaars. Jos heb ik inmiddels ook leren kennen als iemand die graag zelf de data analyseert, wat in principe te waarderen is, maar helaas wringt hij zijn conclusies altijd in het keurslijf van de veilige mainstream-hypothese, terwijl er vaak toch wel degelijk ruimte is voor nuanceringen of twijfel (gegeven de onzekerheden). Jammer, want daardoor zie ik hem nu meer als een verkoper van een boodschap dan als een nieuwsgierig onderzoeker.

  3. Jan van Rongen 13 januari 2018 om 00:26 - Antwoorden

    Eens met Jos: “Al twintig ja valt.ar nagenoeg geen opwarming” is een bewering die niet hard te maken valt. Dat is hier bovendien al eerder aan de orde geweest toen in 2014 het stuk uit de VK van Frans Dijkstra door Marcel opnieuw werd geplaatst. (https://www.destaatvanhet-klimaat.nl/2014/11/05/warm-oktoberweer-maar-geen-opwarming/) en mijn commentaar https://www.destaatvanhet-klimaat.nl/2014/11/05/warm-oktoberweer-maar-geen-opwarming/#comment-157248

    Daar was exact hetzelfde gezegd. Marcel geloofde het niet en stuurde mijn commentaar naar William Briggs die mij groot gelijk gaf.

  4. Jos Hagelaars 13 januari 2018 om 12:22 - Antwoorden

    @Paul B

    Ik verkondig geen ‘boodschappen’ maar heb er wel veel moeite mee als er onzin over het klimaat geschreven wordt.

    Dat de conclusie “Al twintig jaar nagenoeg geen opwarming” totaal ongefundeerd is en dus weggestreept zou moeten worden, kun je zelf zien als je naar de gegevens kijkt. Crok en De Vos nemen de periode 1997-2016 en zien dat de trend laag is. Laten we er één jaartje afhalen en kijken naar 1996-2016: een opwarming van maar liefst +0.32 °C/decennium (KNMI CNT). In 1 jaar is de trend van hoge opwarming naar geen opwarming verschoven! De ruis overheerst in data over zo’n korte periode en over zo’n klein plekje van de aarde.

    Hetzelfde geldt waarschijnlijk (heb het niet nagerekend) voor de uitspraak over de hoeveelheid neerslag in Nederland, die zogenaamd weer terug is bij 1960. Opnieuw worden hier weer conclusies getrokken uit een zeer korte periode waarbij de ruis in de data overheersend is.
    Over het extreem weer kun je bij het KNMI o.m. het volgende vinden:
    https://www.knmi.nl/kennis-en-datacentrum/achtergrond/intensiteit-van-extreme-neerslag-in-een-veranderend-klimaat
    “Figuur 4 laat duidelijk zien dat de laatste 10 jaren de neerslagintensiteit uitzonderlijk hoog was. Gemiddeld over het zomerhalfjaar zijn de extremen (ruim) 10 % hoger dan in enige andere periode sinds 1906. Voor de zomermaanden is dit percentage zelfs ruim 15 %. Alhoewel de onzekerheid in de schattingen voor deze extremen redelijk groot is, lijkt de toename in de laatste jaren niet door toeval veroorzaakt.”

    PS over de vermeende ‘overgevoeligheid’ van klimaatmodellen. De Royal Society heeft in een samenvatting onlangs wél gekeken naar de studies over klimaatgevoeligheid van de afgelopen jaren. Zij trokken daaruit de volgende conclusie:
    “A value below 2°C for the lower end of the likely range of equilibrium climate sensitivity now seems less plausible.”
    https://royalsociety.org/topics-policy/publications/2017/climate-updates/

  5. Herman Aven 13 januari 2018 om 13:54 - Antwoorden

    Jos “Laten we er één jaartje afhalen en kijken naar 1996-2016”

    Maar dat zijn helemaal geen willekeurige beslissingen. Je neemt een bekend klimaatfenomeen als extreme uitingen van ENSO wel mee of niet mee in de reeks. Dus zit je met 1997-2016 of wellicht meer iets als 1996-2018. Maar zelfs de relatie van een el Niño op het (regionale) klimaat – met alle mogelijke meerjarige of zelfs multidecale resonanties – is ondanks de vele pogingen hieraan voorbij te gaan wel degelijk nog steeds een serieus onderwerp van discussie. En door dit simplistisch te kwantificeren (bijv. met “ENSO gecompenseerde” globale trends) wordt het al snel een voorbeeld van het verbergen van de onzekerheden. Vooral de zichtbare, impliciete verbanden tussen een sterke el Niño en zg “stapsprongen” in regionale weerpatronen en windrichtingen voor langere tijd vormen een redelijk logische bron voor verder onderzoek. Er is een lange lijst van papers hierover te geven maar uiteindelijk is de keuze om gewicht aan een bepaalde onderzoeksrichting te geven een kwestie van institutioneel beleid, bias, sturing, financiering enzovoorts en heeft weinig meer te maken met puur wetenschappelijk afwegingen. Wetenschap was, is en zou nooit een opsomming van papers moeten worden. Dat is wel de basis en publicatievorm maar komt zo niet automatisch tot inhoudelijk betekenisvol onderzoek, En het zijn vaak juist bepaalde bloggers, die wel denken zo een gelijk te forceren. Jammer dat! En zeer naïef op z’n minst.

  6. Jos Hagelaars 13 januari 2018 om 14:33 - Antwoorden

    @Herman Aven

    “Maar dat zijn helemaal geen willekeurige beslissingen. Je neemt een bekend klimaatfenomeen als extreme uitingen van ENSO wel mee of niet mee in de reeks.”
    Nou, de correlatie tussen ENSO en NL temperaturen is bijzonder laag, ik kom op ca. 0.1 over 1950-2017. Goede vraag waarom Crok en De Vos 1996-2016 hebben gekozen. Logischer zou zijn 1988 t/m 2016, want volgens het rapport heeft zich in 1988 een ‘temperatuursprong’ voorgedaan. Maar de trend over 1988 t/m 2016 voor de NL temperaturen is +0.18 °C/decennium (let ook hier op de onzekerheid: ±0.27 °C/decennium). Niet zo leuk om op te schrijven wellicht?

    “…een voorbeeld van het verbergen van de onzekerheden”
    Onzin. Dat is gewoon een methode om meer inzicht over het onderliggende signaal te verkrijgen.
    Het volledig weglaten van onzekerheden bij trendberekeningen zoals in dat Rekenkamer rapport, is geen ‘verbergen van onzekerheden’?

  7. Herman Aven 13 januari 2018 om 14:43 - Antwoorden

    Note bene: het gaat me hier niet eens om argumenteren voor directe ENSO invloeden op Nederland maar puur om de reden waarom een keuze voor 1996 ipv 1997 helemaal niet willekeurig hoeft te zijn in de context van de rest van het rapport, welk een beredeneert overzicht weergeeft zeer goed mogelijke en beredeneerde oorzaken voor alle verschuivende weerpatronen in Nederland over de laatste honderd jaar. En de temperatuur van de noordelijke Atlantische Oceaan vormt daarbij een sleutelargument in de conclusie. Dus zie ik 1997-2016 als redelijke keuze voor een trendwaarneming.

  8. Herman Aven 13 januari 2018 om 15:08 - Antwoorden

    @Jos HAgelaars (“. Logischer zou zijn 1988 t/m 2016… +0.18 °C/decennium …niet zo leuk om op te schrijven wellicht?”

    Dat staat toch gewoon ook duidelijke beschreven in het rapport? BLz 52 “Tussen 1901 en 2013 nam de gemiddelde temperatuur in De Bilt toe met 1,8 °C. Het grootste deel van deze toename, namelijk 1,4 °C, vond plaats tussen 1951 en 2013.” en op blz 57 “De temperatuurstijging in De Bilt vanaf 1901 van 1,8 °C is dus voor een aanzienlijk deel ‘het gevolg’ van een opvallende sprong in de temperatuur aan het eind van de jaren ’80.”

    Op zich wel een goede vraag waarom niet andere beginjaren tussen 1988-1997. Maar als je het rapport zo leest zie je dat bijvoorbeeld de SW-circulatietype pas na de sprong verandert (en niet slag op sprong) en ook de AMO beweegt zich zodanig dat hoe verder je terug gaat richting 1988 te meer je een koudere start van je reeks krijgt.

    Ik zie dus niet waarom het onredelijk is om 1997-2017 te nemen om een argument voor 20-jarige periode te maken. Het argument van de onzekerheid laat ik nu even buiten beschouwing, daar zitten haken en ogen aan (later wellicht meer of iemand anders kan dat kort en bondig). En ik zie ook niet waarom de reeks laten beginnen in bekende koudere jaren (Nina-1996, omslag 1988+) zou zo’n sterk argument tegen zou zijn.

  9. Jos Hagelaars 13 januari 2018 om 15:38 - Antwoorden

    @Herman Aven

    Trend in CNT over 1997 t/m 2017 = +0.11 ± 0.40 °C/decennium. Tja, een jaartje meer de andere kant op en hop de trend verdubbelt bijna.
    De conclusie “Al twintig jaar geen opwarming” is ongefundeerd. Lijntjestrekkerij in data met waarvan de ruis veel groter is dan een eventueel onderligged signaal.

  10. Herman Aven 13 januari 2018 om 18:56 - Antwoorden

    Jos, het is niet zozeer je rekenkunde en CNT grafiekjes die in twijfel zijn hier. Het ging mij om het betoog in het rapport waar ingegaan wordt op mogelijke oorzaken voor die signalen waar jij overheen wilt stappen. Zodoende appels en peren. De onzekerheid die je opvoert is gebaseerd op juist veel van de factoren die het rapport op een rijtje zet en daar naar mijn mening ook redelijk in slaagt qua samenhang, logica en onderbouwing. Vanuit dat geheel zijn ook weer nieuwe onderzoeksvragen mogelijk. Kun je het uitsluiten? Wat zijn de onzekerheden precies van deze benadering?

    Trouwens voor de laatste 20 jaar zou je 1998 t/m 2017 moeten invoeren maar voor mij verandert dat niks aan bovenstaande.

  11. Jos Hagelaars 13 januari 2018 om 20:18 - Antwoorden

    @Herman Aven

    De onzekerheid die ik opvoer is inherent aan iets wat men over het algemeen aanduidt met: het weer.
    Ik reageer daarbij op de samenvatting die hierboven zelfs vetgedrukt is weergegeven en die men trekt uit een trendberekening “De laatste twintig jaar staat de opwarming in Nederland nagenoeg stil.”. En dat slaat dus nergens op.

    Natuurlijk zijn er allerlei onderzoeksvragen over het weer in Nederland. Daar is men bij het KNMI druk mee bezig, zie bijv. de link over extreem weer die ik gaf.

  12. Hans Erren 14 januari 2018 om 21:42 - Antwoorden

    Als je Rob de Vos al langer volgt, dan weet je dat hij regelmatig over “de sprong” geschreven heeft en ook dat dit een interessant Europabreed fenomeen is. In de Pacific was, voordat de global warming hype in de mode kwam om elk fenomeen te verklaren de “Great Pacific Shift” al bekend, die daar een veranderend circulatiepatroon inluidde.

  13. Jan van Rongen 15 januari 2018 om 14:53 - Antwoorden

    Ik betwijfel of die analyse van die “sprong” volledig klopt. We zien in ieder geval zachtere winters, een vroeger voorjaar en een langer najaar. Zie:

    http://www.mrooijer.nl/stats/2015/warme-lente-en-herst/

    Die omslag vindt in mijn beleving al ruim voor 1980 plaats.

    Dan de circulatiepatronen. Is dat niet een kip-en-ei vraag? Die veranderen toch óók onder invloed van veranderingen in de temperatuurgradient?

  14. Rob v 15 januari 2018 om 16:40 - Antwoorden

    Jammer dat je zoveel tijd en moeite hebben moeten steken in een niet-probleem.
    Zouden we opwarming als een probleem zien dan wil dat zeggen dat we al 12.000 jaar een probleem hebben.
    Afkoeling, dus terug naar de normale waarden van de afgelopen 100.000 jaar, lijkt mij eerder een probleem voor de mensheid.
    Ik wil ook graag de bewijzen zien die wetenschappelijk aantonen dat dat kleine beetje extra CO2 gevolgen heeft voor de temperatuur op aarde. Het staat eerder vast dat het leven op aarde een chronisch tekort heeft aan deze bouwsteen van het leven.

    Jammer dat al die miljarden niet worden besteed voor het verhelpen van echte problemen zoals oa het bestrijden van honger en verbeteren van de gezondheidszorg zodat mensen niet langer in een ‘shithole’ hoeven te leven.

  15. Jan van der Heijden 16 januari 2018 om 07:13 - Antwoorden

    Rob,

    en sinds wanneer hebben wij een beetje normale beschaving? Zeg maar met steden en zo? Iets ook met schrijven en landbouw en niet een beetje jagen en verzamelen?

    En hoeveel is de globale temperatuur verandering sindsdien? En welke risico’s wil jij lopen om buiten de grenzen buiten die bandbreedte te komen?

  16. Rob v 16 januari 2018 om 12:07 - Antwoorden

    Jan vdH,

    Als je in de alpen woont moet je er rekening mee houden dat er zo nu en dan een lawine door het dorp rolt. Langs een rivier dat die kan overstromen. Onder zeeniveau dat de dijken het niet houden.
    Dat zijn de risico’s die je loopt door in een gevarenzone te wonen. Heb je die risico’s liever niet dan moet je ergens anders gaan wonen of je graaft de berg af en verhoogd daarmee het land onder zeeniveau maar daar hangt natuurlijk een prijskaartje aan.
    Maar stel dat CO2 inderdaad zo’n invloed heeft op de temperatuur en je brengt het weer terug naar laten we zeggen het Kleine IJstijd niveau wat zou daar voor Nederland positief aan zijn? En voor de mensen in de Alpen?
    Prof. Gernot Patzelt: Gletscher- und Waldentwicklung in alpinen Hochlagen
    https://youtu.be/glplSyZM7uE

    Maar misschien heb je gelijk en is het veel beter dat er weer 2km ijs op Nieuw Amsterdam ligt en het zeeniveau 120m lager. Dus het normaal van de laatste 100.000 jaar.

  17. Arjan 16 januari 2018 om 18:44 - Antwoorden

    Zucht, jullie zijn wel vermoeiend. Wees nu aub eens skeptisch om de juiste redenen, de bovengenoemde zijn dat in ieder geval niet.

    Veel meer zon:
    Brightening is absoluut niet de enige reden van de opwarming, want in de winter en nachten warmt het ook sterk op (wel minder dan overdag en vooral in de ochtenden, iets meer in lijn met de verwachtingen). https://dspace.library.uu.nl/handle/1874/242388

    Windrichting:
    Ook is het veranderen van de windrichting niet de enige oorzaak van de huidige opwarming, want alle windrichtingen zijn opgewarmd (ook in lijn der verwachtingen): http://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/joc.966/pdf

    Neerslag niet extremer:
    Knap dat jullie neerslag trends over zo’n korte periode kunnen berekenen. Gezien de variabiliteit is dat vrijwel onmogelijk. Krijgen jullie dezelfde resultaten als je de trend vanaf een ander jaartal dan 2000 begint? Er zijn bergen wetenschappelijke artikelen die laten zien dat de neerslag in Nederland extremer is geworden, paar willekeurige voorbeelden:
    http://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/joc.3619/pdf
    https://www.nature.com/articles/ngeo262

    Twintig jaar geen opwarming? Zie bovenstaande, dit is weer afhankelijk van je beginjaar, dus statistisch erg onzeker. Daarnaast is het te verwachten dat er perioden zijn met snellere opwarming en minder snelle opwarming (of zelfs afkoeling) op regionale schaal, zeker voor een klein land als Nederland.

    Dat modellen de opwarming overschatten, daar wil ik graag bewijs van zien. Ik heb er nog geen wetenschappelijke artikelen van gezien, behalve misschien voor korte perioden, wat ook weer in de lijn der verwachtingen is.

    https://www.instagram.com/p/BZ38rf7F3al/?taken-by=carbonbrief

  18. Arjan 16 januari 2018 om 18:48 - Antwoorden

    @Rob, gelukkig gaat het CO2 niveau de komende 100 000 jaar niet meer terug naar het kleine ijstijd niveau. Van een CO2 niveau van een paar miljoen jaar geleden (= huidig of hoger) of nog erger tijdens het PETM wordt je al helemaal niet blij.

  19. Arjan 17 januari 2018 om 14:03 - Antwoorden

    Nog wat meer informatie over de opgetreden neerslagextremen en temperatuur: https://www.knmi.nl/over-het-knmi/nieuws/trends-in-weerextremen-in-nederland

  20. Rob v 17 januari 2018 om 20:33 - Antwoorden

    Arjan

    En wat is er dan mis met het PETM voor menselijke begrippen een erg traag proces waar aanpassing prima mogelijk was. Misschien zelfs dat zoogdieren dankzij het PETM zo’n belangrijke stap voorwaarts hebben kunnen doen in hun evolutie.

  21. Jan van Rongen 18 januari 2018 om 14:05 - Antwoorden

    Ik ben maar eens begonnen dat rapport goed te lezen. Maar dat valt niet mee. Wat is het slecht geschreven, vol herhalingen en popie-jopie zinnen.

    In mijn bedrijf moest iedere consultant eerst door een cursus Doeltreffend Rapporteren heen. Begin met helder je stelling te poneren en onderbouw die dan met feiten.

    Ik las hoofdstuk 2. Het begint én eindigt met dezelfde afbeelding. Het moet laten zien dat de werkelijkheid achterblijft bij de modellen. Maar dat is een verouderd plaatje, want midden in dat hoofdstuk staat een veel recentere versie waarin dat helemaal niet meer aan de hand is. Wat is nu je stelling? Is dat recente plaatje fout en klopt die oude nog steeds? Of is het andersom?

    Er is geen chocola van te maken. Nergens een duidelijke conclusie. Een litanie van dingen die misschien niet helemaal kloppen, veel redeneringen die zelf ook weer niet kloppen. En al het bewijsmateriaal is grijze literatuur. Een blogje hier, een GWPF-paper daar, maar vrijwel nooit een peer-reviewed artikel uit een gerenommeerd tijdschrift.

    Wat betreft de kromme redeneringen kom ik weer terug op een punt dat ik hier al zo vaak heb aangehaald: trends vergelijken zonder naar de variatie te kijken is onzin. Dat is fout en dat is toch echt gewoon eerstejaars statistiek. Als beide trends T1 en T2 zijn en je wilt laten zien dat ze verschillen, zul je toch gewoon met de nul-hypothese |T1-T2| < eps moeten werken en de bijbehorende p-waarde uitrekenen. Dat gebeurt nergens terwijl er veelvuldig wordt vergeleken.

    Als voorbeeld de bewering dat de temperatuur van 1917- 1944 wel 3 keer zo hard steeg als de gemiddelde trend in de tabellen. Behalve het ernstige bezwaar dat dat een cherry pick van de periode is (nl de meest extreme die te vinden is) zegt dit verder niks als je de overschrijdingskans niet uitrekent. Deze elementaire kritiek van het werk van Bob Tisdale is natuurlijk allang bekend, dus dat je dat nog durft op te nemen zonder commentaar is me een raadsel.

  22. Marcel Crok 18 januari 2018 om 15:08 - Antwoorden

    Jan
    Modellen overschatten de waargenomen opwarming sinds 1979 met ongeveer 35%. Eens of oneens?
    In hoeverre dat afhankelijk van welke toets je gebruikt statistisch significant is of niet is stap 2, maar kunnen we het eens zijn over deze stelling?
    Marcel

  23. Marcel Crok 18 januari 2018 om 15:35 - Antwoorden

    Jan
    wat betreft gebruik van grijze literatuur. De discussie over de discrepantie tussen modellen en waarnemingen speelt zich nou eenmaal grotendeels af in de blogosfeer. Zie oa
    https://climateaudit.org/2016/04/19/gavin-schmidt-and-reference-period-trickery/
    en lees vooral ook deze discussie:
    https://climateaudit.org/2016/05/05/schmidts-histogram-diagram-doesnt-refute-christy/

    Diegenen die claimen dat modellen en waarnemingen consistent met elkaar zijn verwijzen ook steevast naar blogs zoals RealClimate http://www.realclimate.org/index.php/climate-model-projections-compared-to-observations/ of Ed Hawkins: https://www.climate-lab-book.ac.uk/2017/are-the-models-running-too-hot/

  24. Rob de Vos 18 januari 2018 om 19:49 - Antwoorden

    Jan van Rongen, u schrijft: “En al het bewijsmateriaal is grijze literatuur. Een blogje hier, een GWPF-paper daar, maar vrijwel nooit een peer-reviewed artikel uit een gerenommeerd tijdschrift.”

    Ik heb het even geturfd. Het rapport verwijst meer dan 60 keer naar een peer reviewd publicatie en meer dan 40 keer naar een intern wetenschappelijk rapport van o.a. KNMI, NOAA, universiteiten en andere wetenschappelijke instellingen.

    U schrijft: “In mijn bedrijf moest iedere consultant eerst door een cursus Doeltreffend Rapporteren heen. Begin met helder je stelling te poneren en onderbouw die dan met feiten.” Wellicht zou u eens kunnen beginnen bij uw eigen schrijfsels? Intussen lijkt u zo’n chef die hogere eisen stelt aan uw personeel dan aan zichzelf. Voor mij voldoende reden om uw reacties niet erg serieus te nemen.

  25. Jan van Rongen 19 januari 2018 om 01:47 - Antwoorden

    @Marcel – “Modellen overschatten de waargenomen opwarming sinds 1979 met ongeveer 35%. Eens of oneens?”

    Oneens. (a) welke modellen? (b) welke waarnemingen ? (c) waarom 1979? (d) welke einddatum? (e) welke methode ? (f) waar gepubliceerd?

    Verder “speelt zich nou eenmaal grotendeels af in de blogosfeer.” – Ja dat is exact het probleem. Als je er een serieuzer punt mee zou hebben zou je er wel een peer reviewed artikel over kunnen schrijven.

    Verder ga je geheel niet in op mijn kriteiek over de afwezigheid van serieuze statistische tests in de stukken van bijv. Bob Tisdale. Uiterst zwak dat je dat weer laat liggen want je weet dat dat steeds de kern van mijn kritiek op je is geweest: zie veel eerdere reakties.

    In dit geval ook : een uitspraak over x% verschil (of ratio) is volstrekt zinloos zonder aan te geven hoe je dat berekent en wat de spreiding is. Als je dat niet snapt moet je ophouden met jezelf wetenschapsjournalist te noemen. Als je dat wel snapt moet je eens beginnen met je eigen broek op te houden en de discussie zelf te voeren in plaats van mijn stukjes te sturen naar Briggs en McIntyre en je achter hun antwoord te verschuilen.

  26. Marcel Crok 19 januari 2018 om 10:22 - Antwoorden

    @Jan
    Er is gewoon heel weinig peer reviewed gepubliceerd over verschillen tussen modellen en waarnemingen. Ook de plaatjes die het IPCC laat zien om aan te tonen dat modellen en waarnemingen ‘consistent’ zijn gebruiken daarbij geen statistische toetsen. Dus beetje flauw om dat van ons wel te eisen.
    Maar laten we de proef op de som nemen. Hier is een peer reviewed paper die claimt dat er een statistisch significant verschil bestaat tussen modellen en waarnemingen:
    http://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/env.2294/abstract
    Accepteer je deze conclusie?

  27. Jan van Rongen 20 januari 2018 om 00:12 - Antwoorden

    @Marcel – ik stelde vragen over je uitspraak: “Modellen overschatten de waargenomen opwarming sinds 1979 met ongeveer 35%. ”

    Herhaling van vragen.

    (a) welke modellen? (b) welke waarnemingen ? (c) waarom 1979? (d) welke einddatum? (e) welke methode ? (f) waar gepubliceerd?

    Ik snap niet dat je daar geen antwoord op geeft, maar in plaats daarvan met een nieuwe bewering komt in de vorm van een 20-pagina’s lang artikel vol formules.

    Ik ga daar uiteraard pas op in als je eerst antwoord geeft op deze vragen. Of heb je helemaal geen antwoord en neem je je bewering terug over die 35%?

  28. Arjan 20 januari 2018 om 01:35 - Antwoorden

    Wat is de onzekerheid in de schatting dat de modellen de opwarming sinds 1979 met ongeveer 35% onderschatten? Op basis van welke dataset, vergeleken met welke modellen? Is dat, met de data tot en met 2017 nog steeds het geval? En als dit al zo is, is er dan een fysische verklaring waarom dit zo is? (Bijv. forceringen of feedback werden overschat, en zo ja, welke forceringen of feedbacks, dit hoeft dus helemaal niets met CO2 te maken te hebben).

    Dat statistisch verschil heeft hij aangetoond voor een gelimiteerde set radiosonde metingen (waarvan bekend is dat door veranderingen in de gebruikte meetinstrumenten deze niet geschikt zijn voor klimaat analyse, en waarvan onafhankelijke bronnen (o.a. via de thermal wind balance) laten zien dat deze de opwarmingstrend onderschatten). Inmiddels zijn we 4 jaar verder, waarschijnlijk is het verschil nu niet meer statistisch significant. Verder is dit vooral (of alleen maar?) het geval als je zijn aanname gebruikt dat er een (onfysische) klimaatsprong is opgetreden. Deze heeft hij ook statistisch aangetoond, maar hoe groot is de kans op zoiets te vinden in een willekeurige dataset? Welke dataset is gebruikt, en is dit ook het geval in de andere datasets?

    Verder is dit dezelfde statisticus die beweerde dat de hiatus al 26 jaar duurt (op basis van de inmiddels behoorlijk achterhaalde (oude versie van) satelliet data tot 2013 ofzo), terwijl je niet aan kan tonen dat de trend gedurende deze periode afwijkt van die van de trend daarvoor. Ook is de hiatus (er is geen opwarming sinds …) iets heel anders dan dat de opwarming (door grote jaarlijkse variabiliteit) niet de statistische grens van 95% haalt gedurende deze periode. Met de nieuwe dataset, de andere datasets en de data tot en met 2017 kan het hele hiatusverhaal sowieso de prullenbak in.

    Een andere vraag is hoe goed klimaatmodellen de interne en regionale variabiliteit simuleren. Klimaatmodellen worden niet geinitialiseerd op de huidige staat, dus de (timing van) interne variabiliteit komt niet overeen met de waarnemingen. Hierdoor kunnen er (tijdelijk) verschillen ontstaan tussen de gemeten opwarming en de gemodelleerde opwarming.

  29. Jan van Rongen 20 januari 2018 om 14:00 - Antwoorden

    Arjen, [snip].

    Er is nog één belangrijke factor die je niet duidelijk benoemt. “De modellen” kennen in hun forecast de toekomsy niet. Het zijn scenario’s, geen prognoses. Laten we drie varibelen noemen die nioet in de modellen kunnen zitten maar wel een belangrijke factor zijn voor de temperatuur.

    1. Vulkanen

    Het IPCC heeft tabellen van alle forcings die over de loop der jaren zijn gemeten of geschat. Dat zijn de krachten die de temperatuur opduwen of afremmen. Van het totaal van de krachten (in absolute zin) is 30% van vulkanische oorsprong. Maar in tegenstelling tot de overblijvende 70% die geleidelijk en voorspelbaar is, is er niks voorspelbaar aan die 30%. Dat betekent dat modellen alleen met gemiddelden hiervan rekening kunnen houden en dat er DUS een groot verschil in variatie is tussen modellen en de werkelijkheid (nl. een factor 2).

    2. El Nino

    Wellicht even onvoorspelbaar (al denkt @WHUT daar anders over) is de tijdelijke opwaartse foring van El Nino.

    3. De werkelijke uitstoot van CO2, methaan en andere rotzooi

    Ook dat kunnen we wel achteraf meten maar zijn vooraf ingebracht in de modellen als parameters van de scenario’s.

    Het beste zou dus zin _voor een zuivere vergelijking_ om de modellen opnieuw te laten lopen, maar dan met correctie voor de beken de waarden van bovenstaande drie punten. Dat is echter een zeer kostbare zaak en gebeurt zelden. Het alternatief is achteraf bijstellen van de brekeningen, zie bijv.

    https://www.carbonbrief.org/study-why-troposphere-warming-differs-between-models-and-satellite-data

  30. Marcel Crok 20 januari 2018 om 15:03 - Antwoorden

    @Jan
    Met je vraag f) geef je duidelijk aan dat je niet daadwerkelijk geïnteresseerd bent in een discussie. Je weet dat dit soort claims niet peer reviewed gepubliceerd worden. Onze claim van 35% overschatting opwarming door modellen is gebaseerd op het verschil in lineaire trends tussen CMIP5 modellen en mondiale temperatuurdatasets als HadCrut4. Of die verschillen significant zijn, geen idee. We hebben een heel interessante Climate Dialogue georganiseerd over long term persistence. Daaruit bleek dat er grote verschillen bestaan tussen onderzoekers over hoe je dergelijke datasets te lijf moet gaan: http://www.climatedialogue.org/long-term-persistence-and-trend-significance/

    Je hebt je punt hier al lang gemaakt, je vindt ons rapport niks. Nou het is je gegund.
    Ik zou zeggen kijk nou eens met diezelfde kritische bril naar de KNMI-brochure over de klimaatscenario’s en vraag je eens af of en zo ja welke statistische toetsen daar zijn toegepast. Vraag je eens af waarom er geen plaatjes in staan waarin de modellen regionaal vergeleken worden met de waarnemingen en hoe goed/slecht die overeenkomen.

    Marcel

  31. Jan van Rongen 20 januari 2018 om 21:00 - Antwoorden

    @Marcel – dan kun je in ieder geval a) t/m e) beantwoorden toch? En vervolgens ingaan op mijn kritiek op Tisdale’s grafiek? Dan hoef je toch de vlucht naar voren te maken?

    Overigens – wie bedoel je hier met “ons”? Jij en Rob? Maar het overschrijven van wat anderen hebben opgeschreven op een blog is toch geen bewijs? In dat geval zul je toch ook juist zelf de argumenten moeten beoordelen lijkt me.

    Overigens, als een wetenschapper die vergeijking maakt als update van een IPCC hrafiek zie ik in ieder geval geen 35%:

    https://pbs.twimg.com/media/DT-4EzkX0AAG6Z9.jpg:large

  32. Jos Hagelaars 20 januari 2018 om 21:34 - Antwoorden

    Onze claim van 35% overschatting opwarming door modellen is gebaseerd op het verschil in lineaire trends tussen CMIP5 modellen en mondiale temperatuurdatasets als HadCrut4. Of die verschillen significant zijn, geen idee.

    Een vergelijking die Cowtan et al. 2015 volgt (http://onlinelibrary.wiley.com/wol1/doi/10.1002/2015GL064888/abstract), laat toch geheel wat anders zien dan die ‘35%’:
    https://pbs.twimg.com/media/DKmY9WrV4AAoRk-.jpg:large
    (Bron: Zeke Hausfather).
    En de verschillen zijn statistisch niet significant.

    Ieder kind kan trouwens begrijpen dat de trend van de observaties af kan wijken van de trend van het modelgemiddelde. In deze laatste wordt nl. alle natuurlijke variatie uitgemiddeld. De observaties meanderen als het ware op zijn best dus om het modelgemiddelde heen. Als dat een tijdje, zoals tijdens de zogenaamde hiatus, onder het modelgemiddelde valt, wordt de trend van de observaties natuurlijk lager dan het modelgemiddelde.
    Er zijn een aantal goed begrepen redenen waarom er verschillen kunnen zijn tussen observaties en modellen: de stralingsforceringen in de forecast zijn anders dan in de werkelijkheid, de natuurlijke variatie en observationele afwijkingen. Indien je rekening houdt met deze factoren vallen de verschillen tussen modellen en observaties grotendeels weg:
    https://klimaatverandering.wordpress.com/2017/09/23/overschatten-de-klimaatmodellen-de-opwarming/

  33. Arjan 21 januari 2018 om 01:53 - Antwoorden

    Marcel schreef:
    “Ik zou zeggen kijk nou eens met diezelfde kritische bril naar de KNMI-brochure over de klimaatscenario’s en vraag je eens af of en zo ja welke statistische toetsen daar zijn toegepast. Vraag je eens af waarom er geen plaatjes in staan waarin de modellen regionaal vergeleken worden met de waarnemingen en hoe goed/slecht die overeenkomen.”

    Ah, nu hoor ik iets interessants. Maar waarom komen jullie in het rapport met zo veel onzin, in plaats van een vergelijking tussen modellen en waarnemingen op regionale schaal, en de punten die je hier aandraagt?

  34. Marcel Crok 21 januari 2018 om 09:38 - Antwoorden

    @Arjan
    Als je dit wel interessant vindt zou je je ook af kunnen vragen waarom het KNMI met een multimiljoenen budget voor de KNMI-scenario’s dit soort informatie niet heeft opgenomen. Wij hadden vrijwel geen budget en daarom hebben we wat dit onderwerp betreft verwezen naar de Climate Dialogue waar deze discussie ook aan bod kwam.

  35. Arjan 22 januari 2018 om 00:22 - Antwoorden

    Heeft het KNMI een multimiljoenen budget voor de scenario’s? Dat is nieuw voor mij. Verder weet ik niet zeker of deze informatie niet is opgenomen en ook niet waarom, als dit niet is gedaan. Ik weet alleen dat daar behoorlijke onzekerheid ligt (al ben ik niet helemaal 100% op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen), en dat het een goede vraag is in hoeverre de scenarios voor 20xx uit zullen komen.

Geef een reactie