Bart Strengers van het PBL heeft een weddenschap gewonnen van Hans Labohm. Doorslag gaf het feit dat de periode 2010-2014 warmer was dan het decennium ervoor (2000-2009). Ik feliciteer Bart, onze uitstekende projectleider het afgelopen jaar van Climate Dialogue, bij deze hartelijk met zijn winst en bedank Hans voor zijn sportieve reactie, door Bart en enkele anderen (waaronder ikzelf) zelfs uit te nodigen voor een etentje op 5 februari in De Bilt. Opnieuw het bewijs dat sceptici en mainstreamers in Nederland op het persoonlijke vlak goed met elkaar overweg kunnen, ondanks dat we inhoudelijk vaak lijnrecht tegenover elkaar blijven staan. En zo hoort het ook te zijn, binnen de wetenschap mag men elkaar op het scherpst van de snede bestrijden.

Strengers plaatste naar aanleiding van de weddenschap een heel dossier op de website van het PBL waarin hij terugblikt op de weddenschap. Al die stukken zijn de moeite van het lezen meer dan waard. Ik moest echter heel hard grinniken bij de volgende opmerking en achterliggende uitleg. Eerst de opmerking, die zeer cryptisch is opgeschreven en waar de lezer eventjes op mag kauwen:

De kans dat de klimaatgevoeligheid overschat wordt is kleiner dan dat hij onderschat wordt.

Terwijl ik u even laat kauwen over de betekenis van deze zin doe ik nog even een stapje terug. Bart bespreekt de mogelijk koelende en opwarmende factoren die hij in 2009 al op een rijtje zette. Een ervan is deze:

Een klimaatgevoeligheid die blijkt mee te vallen.

Deze zin heeft Bart niet vet gemaakt, waarmee hij aangeeft dat “de betreffende reden in meer of mindere mate niet bewaarheid is in de afgelopen vijf jaar”. Met andere woorden, in 2009 hield Strengers de optie open dat de klimaatgevoeligheid mee zou kunnen vallen maar anno 2015 moet hij constateren dat dat niet het geval is.

Komen we terug bij de bovenstaande cryptische zin, een overweging die ook al in 2009 door Bart was gedaan. Deze zin is wel vet en is dus “uitgekomen”.

Laten we de zin, omdat die zo cryptisch is even verder uitschrijven. Dan staat er:

De kans dat de klimaatgevoeligheid overschat wordt is kleiner dan de kans dat de klimaatgevoeligheid onderschat wordt.

In normaal Nederlands: in 2009 vermoedde Bart dat wij de klimaatgevoeligheid wel eens zouden kunnen onderschatten en anno 2015 vindt hij dat zijn vermoeden is uitgekomen. Nu zijn zowel Bart als ik vrij goed op de hoogte van de wetenschappelijke discussies over klimaatgevoeligheid. Ik schreef vorig jaar samen met Nic Lewis het rapport A Sensitive Matter waarin we stellen dat het IPCC goed nieuws over klimaatgevoeligheid (namelijk lager dan lange tijd gedacht) laten we zeggen niet echt van de daken schreeuwde. Het rapport was mede de aanleiding om een Climate Dialogue over deze kwestie op te zetten. Nic Lewis was een van de deelnemers en Bart begeleidde deze discussie.

Verschillende wetenschappelijke publicaties kwamen de laatste jaren tot relatief lage waarden voor klimaatgevoeligheid en om die reden verlaagde het IPCC ook de ondergrens van de waarschijnlijkheidsrange voor klimaatgevoeligheid. Bart weet dit allemaal goed en meldt het ook in zijn stuk:

In het vijfde assessment rapport van 2013 werd een range genoemd van 1,5 tot 4,5 graden en werd er ­geen beste schatting gegeven. De reden van het naar beneden bijstellen van de ondergrens naar 1,5 graden, waarop deze al sinds 1990 werd geschat, kwam voort uit een aantal studies die wezen op de mogelijkheid van een lage klimaatgevoeligheid.

Heel in het kort: IPCC stelde in het vierde rapport nog dat de beste schatting voor klimaatgevoeligheid (= mondiale opwarming bij een verdubbeling van de CO2-concentratie) drie graden was en de waarschijnlijkheidsrange 2 tot 4,5 graad Celsius. Nu in het vijfde rapport geen beste schatting meer en een lagere ondergrens. Bart schrijft hierover het volgende:

De reden voor het ontbreken van een beste schatting kwam door een gebrek aan overeenkomst tussen de verschillende benaderingen (ten minste op basis van alle studies tot en met juli 2012). Dit alles wil echter nog niet zeggen dat de klimaatgevoeligheid ‘blijkt mee te vallen’. Eigenlijk kan alleen worden geconstateerd dat de waarde van de klimaatgevoeligheid onzekerder is geworden.

Semantiek
Aha, de onzekerheid is groter geworden. Maar dat betekent dan ook niet dat de klimaatgevoeligheid tegenvalt toch? Nu tovert Bart een werkelijk bewonderenswaardig stukje semantiek uit de hoge hoed:

De kans dat de klimaatgevoeligheid overschat wordt, is kleiner dan dat hij onderschat wordt
In het vijfde assessment rapport van het IPCC uit 2013 staat dat de klimaatgevoeligheid waarschijnlijk, dat wil zeggen met een kans van 66%, ligt tussen 1,5 en 4,5 graden Celsius. Vervolgens wordt gesteld dat het extreem onwaarschijnlijk is – minder dan 5% kans – dat de klimaatgevoeligheid kleiner is dan 1, terwijl het zeer onwaarschijnlijk is – minder dan 10% kans – dat de klimaatgevoeligheid hoger is dan 6. Met andere woorden de kans op zeer kleine waarden is kleiner dan de kans op zeer grote waarden en daarmee is de bewering hierboven nog steeds waar.

Let u even goed op wat hier gebeurt. Het IPCC durft geen beste schatting voor klimaatgevoeligheid meer te geven “door een gebrek aan overeenkomst tussen de verschillende benaderingen”, verlaagt wel de ondergrens tot 1,5 graad (vanwege de schattingen van o.a. Lewis), maar durft het wel aan om te stellen (op basis van een expert judgement) dat de kans iets groter is dat de klimaatgevoeligheid toch groter dan 6 blijkt te zijn dan dat de waarde kleiner dan 1 is. En daarmee, vindt Bart, kan hij onderbouwen dat er eerder sprake is van onderschatting van de klimaatgevoeligheid dan van overschatting.

Ik laat u hieronder een zogenaamde probability density function (pdf) zien van de schattingen die Judith Curry en Nic Lewis onlangs deden van de klimaatgevoeligheid in een paper in Climate Dynamics. Voor de goede orde, in de paper gebruiken Lewis en Curry de alle relevante waardes (mondiale temperatuur, forcings, opwarming oceanen) uit het IPCC-rapport zelf! Dus geen sceptische aannames als “het is de zon!” bijvoorbeeld. Zo nemen Lewis en Curry aan dat zo ongeveer alle opwarming sinds 1850 door broeikasgassen is veroorzaakt. Ze komen dan tot deze schattingen voor klimaatgevoeligheid:

Verticaal is de waarschijnlijkheid uitgezet, horizontaal de klimaatgevoeligheid. Lewis en Curry komen in deze studie tot een beste schatting voor klimaatgevoeligheid van 1,64, dichtbij de ondergrens dus van het IPCC. U ziet dat de kans dat de klimaatgevoeligheid boven de 4 ligt op basis van metingen sinds 1850 al verwaarloosbaar klein ligt.

Wederom, hoe kan het IPCC claimen dat de kans op een klimaatgevoeligheid boven de 6 groter is dan een waarde beneden de 1? Zoals gezegd zijn er verschillende benaderingen om klimaatgevoeligheid te schatten. Hierboven ziet u slechts een van de drie methodes, maar wel de methode waarvan Lewis en ik in ons rapport stellen dat die op dit moment “superieur” is. De twee andere benaderingen maken gebruik van paleogegevens (het klimaat van duizenden tot miljoenen jaren geleden) of op basis van klimaatmodellen.

Waarnemingen vs modellen
In het verleden waren de IPCC-schattingen voor klimaatgevoeligheid vrijwel uitsluitend gebaseerd op klimaatmodellen. Die lagen ook ten grondslag aan de beste schatting van 3 graden in het vierde IPCC-rapport. De modellen die voor het vijfde IPCC-rapport gebruikt zijn hebben een klimaatgevoeligheid van gemiddeld 3,4 graden, twee keer zo hoog dus als de schatting van Curry/Lewis die gebaseerd is op ons “waargenomen” klimaat. Ik plaats waargenomen bewust tussen haakjes omdat je voor het schatten van sommige parameters in de Lewis/Curry schatting deels ook weer modellen nodig hebt.

Ook de paleoschattingen komen gemiddeld uit op zo’n 3 graden. Door nu de “observationale schattingen” sinds 1850 op een hoop te gooien met de paleoschattingen en de modelschattingen komt het IPCC tot haar brede range van 1,5-4,5 (de range van Lewis/Curry is 1,25-2,45).

Welnu, zoals u ook ziet, is de bovenstaande curve van Lewis/Curry niet symmetrisch. Naar hogere waarden is de curve wat breder dan naar lagere waarden. Zonder u met de wiskunde te vermoeien is dit een direct gevolg van de wiskundige formule die aan bovenstaande schatting ten grondslag ligt.

Door nu de verschillende benaderingen op een hoop te gooien en gebruik te maken van deze “ingebakken” asymmetrie in de pdf komt het IPCC tot die conclusie dat waarden van boven de 6 wat waarschijnlijker zijn dan onder de 1. Maar zoals u ook heeft gezien zijn die waarden van boven de 6 “in strijd” met het waargenomen klimaat sinds 1850 en alle beste kennis die het IPCC de afgelopen 30 jaar over ons klimaat heeft verzameld.

Men moet de meest extreme klimaatmodellen van stal halen om aan dit soort waardes te komen. Dus Bart had ook kunnen schrijven: als we schattingen op basis van de meest klimaatgevoelige modellen net zo serieus nemen als de observationele schattingen sinds 1850, dan kunnen we niet uitsluiten dat we de klimaatgevoeligheid onderschatten. Om dit vervolgens als bewijs te gebruiken dat er eerder sprake is van onderschatting van de klimaatgevoeligheid dan van overschatting grenst aan het absurde.

Is er iets aan de hand?
Op de PBL-website is Bart niet bezig om victorie te kraaien vanwege de gewonnen weddenschap met Labohm. Toch zijn ook overheidsonderzoekers mensen van vlees en bloed die dikwijls door sceptici worden aangevallen in het klimaatdebat. Dus een gevoel van triomf zal hij vast wel voelen en dat is hem gegund. Op de NRC-klimaatblog van Paul Luttikhuis laat Bart iets meer los over wat hij nu werkelijk concludeert uit de gewonnen weddenschap:

Vijf jaar geleden schreef ik dat ik hoopte te verliezen, maar dat de wetenschappelijke inzichten de kans daarop niet erg groot zouden maken. Helaas is dat nog steeds het geval, en ik denk dat de kans dat ik een zelfde weddenschap weer zou winnen eigenlijk alleen maar groter is geworden. Maar ik vermoed dat Hans ook dan zou blijven beweren dat er niks aan de hand is. Ik vraag me soms af hoeveel gletsjers er moeten smelten, hoe ver de zeespiegel moet stijgen, hoeveel Noordpoolijs moet verdwijnen, en hoe hoog de temperatuur moet oplopen voordat sceptici zoals Hans geloven dat er wel degelijk iets aan de hand is.

Dit vind ik een fascinerende alinea. “Vijf jaar geleden schreef ik dat ik hoopte te verliezen”. Sorry, maar ik geloof hier niets van. Wetenschappers willen heel graag gelijk krijgen, dat is zo ongeveer het hoogst haalbare. Dus het winnen van de weddenschap en dus het gelijk krijgen staat ver boven het politiek correcte “ik hoopte te verliezen”, wat dan zou suggereren dat het klimaatprobleem wat minder groot is dan gedacht.

De afgelopen jaren hebben studie na studie aangetoond dat de klimaatgevoeligheid spectaculair lager is dan het IPCC jarenlang dacht. In plaats van dit goede nieuws te koesteren, lopen de mainstream klimaatwetenschappers knarsetandend rond. Hoe konden zij er zo naast zitten al die jaren? In plaats van het goede nieuws te vieren, zetten ze de hakken volledig in het zand. Sterker nog, op de PBL-website zet Bart de wereld op z’n kop door te beweren dat de klimaatgevoeligheid onderschat is. Hilarisch. En dan Labohm verwijten dat hij in een staat van ontkenning verkeert…

Uit de rest van de alinea blijkt dat het winnen van de weddenschap voor Bart aantoont dat er wel degelijk “iets aan de hand is” en hij verwijt Labohm dit maar te blijven ontkennen. Bij deze kaatsen wij graag de bal terug: hoe lang blijft het PBL en vooruit – het KNMI – nog ontkennen dat alles er op wijst dat de klimaatgevoeligheid van ons huidige klimaat relatief laag is? Zo niet, vanaf wanneer gaan het PBL en het KNMI dan volledig open kaart spelen door te zeggen dat hun verwachtingen van doom and gloom gebaseerd zijn op computermodellen die een twee keer zo hoge klimaatgevoeligheid hebben dan het waargenomen klimaat sinds 1850, het klimaat dat hen zo “dierbaar” is en dat zelfs “geneutraliseerd” dient te worden door verregaande CO2-reductie.

Hoeveel belangrijker is deze kwestie – lage klimaatgevoeligheid – dan de vraag of 2010-2014 wel of niet iets warmer was dan 2000-2009? Immers zelfs bij een lage klimaatgevoeligheid verwachten we verdere opwarming zolang de CO2-concentratie stijgt en dus om de zoveel jaar een nieuw record en verwachten we dat ieder volgend decennium net iets warmer is dan het voorgaande.

Er valt nog meer te zeggen over de weddenschap en met name de rol van modellen in het klimaatdebat. Daarover meer in deel II dat komende week zal verschijnen.