Chemicus en statisticus Frans Dijkstra publiceerde gisteren in de Volkskrant een opiniestuk naar aanleiding van het warme weekend. De kop in de krant was dezelfde als boven dit blogbericht. Die kop is overigens bedacht door de Volkskrant, niet door Dijkstra, liet hij me weten. Online staat er trouwens een andere kop: Het publieke weergeheugen werkt misleidend.

Op twitter reageerde Stephan Okhuijsen van Sargasso.nl vrij gepikeerd en hij plaatste al snel een kritische beschouwing die als titel had: Liegen met grafieken: geen opwarming in de Volkskrant.

Frans Dijkstra gaf me toestemming om zijn stuk door te plaatsen. Daaronder probeer ik iets weer te geven van de discussie. En hopelijk kan een constructieve discussie tussen Dijkstra, Okhuijsen en andere geïnteresseerden meer duidelijk scheppen over welke “correcte” conclusies nu te trekken zijn. 

Warm oktoberweer, maar geen opwarming

KLIMAATVERANDERING Exotische dieren die naar Nederland komen in de hoop op subtropische omstandigheden kunnen beter nog even wachten.

Warm weer in oktober is altijd goed voor speculaties over de opwarming van de aarde. Het warme weekend van 1 en 2 november deed er dit jaar nog een flink schepje bovenop. Maar klopt het gevoel van velen, dat het steeds warmer wordt in Nederland? Het publieke weerkundige geheugen is kort en de extremen uit het verleden worden gemakkelijk vergeten, ook door professionele weerkundigen.

Meteoroloog Reinier van den Berg schreef het warme weer van de laatste maanden toe aan het veel voorkomen van zuidelijke wind (Trouw, 18 oktober). Dat klinkt plausibel, maar hij kon het niet laten op te merken, dat ook de wereldwijde klimaatverandering een grote rol zou spelen. Als gevolg hiervan zouden diverse exotische diersoorten bezig zijn op te rukken. De subtropische koninginnepage zou al door Utrecht vliegen.

Weerman Peter Kuipers Munneke gaf in het NOS-journaal op 18 oktober op de vraag ‘waarom is het zo warm’ een kort en een lang antwoord. Het korte antwoord was dat we te maken hadden met een zuidelijke luchtstroom, die warme lucht uit Spanje aanvoerde. Het lange antwoord bestond uit een paar grafieken uit een statistisch leerboek, die lieten zien dat extreme waarden minder extreem worden als het gemiddelde hoger wordt.

Jammer voor Kuipers Munneke was zijn korte antwoord wel goed, maar zijn lange antwoord niet. De oorzaak van de extreme waarden is een andere dan de oorzaak van de stijging van het gemiddelde. De zuidelijke luchtstromen hebben niets te maken met de globale opwarming. Warm weer in oktober ook niet, en het meeste warme weer dat we dit jaar in Nederland hebben gehad ook niet. Extreem hoge temperaturen komen in Nederland niet vaker voor dan vroeger, ondanks een opwarming die wel degelijk heeft plaatsgevonden. Op 18 oktober 2014 werd het 23 graden in De Bilt. Van 1901-1957 waren er in oktober 27 dagen met 23 graden of meer. In de even lange periode van 1958-2014 waren het 28 dagen. Ook het aantal tropische dagen in de zomer is in de tweede periode niet significant hoger dan in de eerste periode.

Maanden die 3 tot 4 graden warmer zijn dan gemiddeld zijn niet bijzonder. Maanden die 3 tot 4 graden kouder zijn ook niet. Dat gebeurt vrij geregeld (grafiek 1).

De te koude maanden en de te warme maanden houden elkaar prachtig in evenwicht ten opzichte van een volkomen vlakke trendlijn, die ruim 1 graad ligt boven het gemiddelde van de klimatologische periode 1961-1990. Het is eerder in de vorige eeuw wel warmer geworden, maar daar is het sinds 1997 bij gebleven. Met de warme maanden van 2014 was er niets bijzonders aan de hand.

Als we uitzoomen naar de hele 20ste eeuw (grafiek 2), dan zien we dat de jaargemiddelden schommelingen vertonen van 1 tot 2 graden rondom de voortschrijdende trendlijn. De gemiddelde jaartemperatuur in Nederland heeft van 1901-1981 geschommeld rond 9,5ºC, is daarna van 1981-2003 met ruim een graad gestegen, en lijkt sindsdien weer aan een dalende trend bezig te zijn. Als het eindcijfer voor 2014 het record van 2006 overtreft, zal deze trend wat afvlakken, maar feit blijft, dat er van een doorgaande opwarming in Nederland momenteel geen sprake is. De natuurlijke variatie van de windrichting bepaalt voornamelijk de temperatuur in Nederland.

Ook mondiaal blijft de opwarming sterk achter bij de verwachtingen. De vraag waar alle warmte is gebleven die door broeikasgassen wordt vastgehouden is hét grote raadsel van de klimaatwetenschap. Er zijn al zo’n 30 verschillende verklaringen voorgesteld, die allemaal getest moeten worden voor ze kunnen worden ingebouwd in de computermodellen, waarmee men tracht het klimaat te voorspellen. Exotische dieren die naar Nederland komen in de hoop op subtropische omstandigheden, kunnen beter nog even wachten. Anders kunnen ze snel van een koude kermis thuiskomen.

Technische verantwoording

  1. De meteorologische gegevens berusten op de ‘daggegevens van het weer in Nederland’ zoals gepubliceerd door het KNMI http://www.knmi.nl/klimatologie/daggegevens/download.html. De analyses zijn door de auteur van dit artikel gemaakt.
  2. De trendlijn in de tweede figuur is berekend met locaal gewogen regressie, afgekort LOESS, zoals beschreven door Cleveland en Devlin, Journal of the American Statistical Association, 83(403), 596-610 (1988). Een LOESS-invoegtoepassing voor Excel is van internet gedownload.

KNMI
Dijkstra mailde me dat ook het KNMI bij de Volkskrant had gereageerd dan wel geklaagd. Hun probleem was vooral dat Dijkstra een 20-jarig voortschrijdend gemiddelde laat zien in zijn tweede grafiek. Dijkstra mailde hierover het volgende:

Als je een 30-jarig gemiddelde gebruikt, zie je geen daling na 2004. En dat noemt het KNMI goochelen met cijfers, naar een resultaat toewerken. Terwijl ik niet heb beweerd dat een daling al zeker is, maar ‘lijkt te zijn begonnen’, maar ook weer kan afvlakken als het eindcijfer van 2014 hoog is. Maar ook met een 30-jarig gemiddelde blijft het beeld: constant tot 1980, stijging van 1980-1997, daarna weer constant. Zie onder. En dat spreekt het KNMI niet tegen.

Okhuijsen schrijft:

Maar in die grafiek staat bij de zwarte lijn aangegeven dat het om het “20-jarig voortschrijdende gemiddelde” gaat. Dat is sowieso onmogelijk. Om dat te doen moet je namelijk of eerst twintig jaar wachten voor je de lijn kan starten. Of je moet hem doen met de tien jaar ervoor en er achter. In dat geval zouden het begin en einde korter zijn. Aanleiding voor een reconstructie op basis van dezelfde data:

 

Dagrecords
Okhuijsen bekritiseert ook Dijkstra’s opmerkingen over trends in warme dagen. Hij doet dit aan de hand van een grafiek met dagrecords:

Deze grafiek suggereert duidelijk dat het aantal dagrecords voor kou duidelijk afneemt terwijl het aantal “warme” dagrecords sinds de jaren tachtig weer een stijging vertoont. Overigens vergelijken Dijkstra en Okhuijsen hier dus appels en peren met elkaar want Dijkstra had het over het aantal dagen dat het in oktober warmer dan 23 graden werd.