Na de publicatie van het rapport Een gevoelige kwestie: hoe het IPCC goed nieuws over klimaatverandering verborg (Engelse versie hier) moest er even dringend aan andere zaken gewerkt worden, vandaar de media-stilte op deze blog.

Wereldwijd hebben Nic Lewis en ik niet te klagen over aandacht van media en blogs voor ons rapport. Ondanks dat we het rapport in Nieuwspoort presenteerden bleef de aandacht in Nederland echter beperkt. Trouw was de enige krant die er tot nu toe aandacht aan besteedde, meteen op de dag zelf. De Volkskrant komt waarschijnlijk aanstaande zaterdag met een uitgebreid stuk.

Trouw
Ik ben blij met het artikel in Trouw (hoewel de kop gemaakt lijkt te zijn door een eindredacteur die het onderwerp blijkbaar zat is) omdat het journalistiek gezien netjes te werk is gegaan. Het brengt eerst het nieuws (de publicatie van ons rapport), laat mij vervolgens aan het woord en doet tenslotte aan wederhoor door Bart Verheggen te citeren. Ik ben echter niet gelukkig met de opmerkingen die Verheggen maakt:

Crok en Lewis meten met twee maten, zegt klimaatwetenschapper Bart Verheggen. “Ze gooien negentig procent van de studies weg, zonder daar goede redenen voor aan te geven. Daardoor heeft het er alle schijn van dat ze naar een gewenste conclusie toewerken.”

Ik ben het met bijna alles in deze alinea oneens. Geen idee wat Verheggen precies bedoelt met het met twee maten meten. Vermoedelijk dat wij onvoldoende oog zouden hebben voor de tekortkomingen in de studies die wij “superieur” noemen (in vergelijking met andere studies). Wij gaan echter uitgebreid in op alle haken en ogen die er aan deze observationele schattingen (gedurende de instrumentele periode) kleven, laten zien wat IPCC erover zegt en doen conservatieve aannames als het gaat om onzekerheden. Zo rolt uit de vier studies die wij “de beste” noemen een range voor evenwichtsklimaatgevoeligheid van ongeveer 1,25 tot 2,5 graden, maar verhogen wij de bovengrens tot 3 graden vanwege het feit dat bepaalde onzekerheden vooral van invloed zijn op de bovengrens. Dus ben het oneens dat wij onkritisch de ene methode zouden accepteren terwijl we andere methodes bekritiseren.

Weggooien
Ik ben het eens met zijn volgende opmerking dat wij 90% van de studies weggooien. Het woord “weggooien” zouden wij zelf uiteraard niet gebruiken en is bewust gebruikt om negatieve associaties op te roepen bij de selectie die Lewis en ik hebben gemaakt. De kernvraag die Lewis en ik ons stelden en waarvan je verwacht dat ook het IPCC die gesteld zou hebben is wat de beste bewijzen zijn voor de klimaatgevoeligheid van ons huidige klimaat. Let op de nadruk op het woord “huidige”.

Met die vraag in ons achterhoofd hebben we een assessment gedaan van alle verschillende methodes die gebruikt zijn in de literatuur en die besproken zijn in het IPCC-rapport en die getoond worden in de inmiddels overbekende figuur 1 uit box 12.2 in het vijfde IPCC-rapport (figuur 2 in ons rapport):

Wij bespreken vrijwel ieder lijntje in deze figuur en geven aan om wat voor soort studie het gaat en wat eventuele tekortkomingen zijn. Soms is de tekortkoming simpelweg dat de studie oude data gebruikt. Pagina 24-27 en 34-43 van ons rapport gaan hierover, plus de appendix, plus een uitgebreid blogbericht op Climate Audit dat alle relevante schattingen voor de Transient Climate Response (TCR) nog eens onder de loep neemt.

Alle studies gewogen hebbende komen wij tot onze weloverwogen keuze voor de vier studies (die in AR5 genoemd worden) die wij de beste noemen. Dus in plaats van “weggooien” zou ik het een “weloverwogen selectie” willen noemen.

Verheggen stelt vervolgens dat wij 90% weggooien “zonder daar goede redenen voor te geven”. Ik heb bij hem gecheckt of hij hier niet onjuist geciteerd is, maar hij gaf aan volledig achter zijn woorden te staan. Een argeloze lezer van Trouw zal op basis van deze opmerking niet kunnen bevroeden in hoeveel detail wij ingaan op alle studies en hoeveel redenen wij aandragen om tot onze selectie te komen van de beste studies. Deze opmerking van Verheggen heb ik als ronduit kwetsend ervaren en doet absoluut geen recht aan het werk dat wij gedaan hebben en de onderbouwing die wij gegeven hebben. Wij geven wel degelijk “goede redenen” voor de keuzes die wij hebben gemaakt. Verheggen zou moeten zeggen dat hij het met die “goede redenen” niet eens is. Dat mag en dan zou hij kunnen aangeven waarom hij een andere keuze zou maken. Daarover zo meteen meer.

Cherry picking
Nu begint Verheggen echt op dreef te komen en zegt hij: “Daardoor heeft het er alle schijn van dat ze naar een gewenste conclusie toewerken.” Dus: Ze gooien 90% weg, geven geen goede redenen, gevalletje cherry picking, een argument dat internationaal ook gretig wordt gebruikt, want het is zo makkelijk, je hoeft er bijna geen “goede redenen” bij te geven.

Wij laten in ons rapport zien dat vrijwel alle observationele studies uit het vierde IPCC-rapport uit 2007 (zie onze figuur 1) ernstige tekortkomingen hebben, inclusief de paper Gregory 2002, waarvan wij de methode wel omarmen. Een uitzondering vormt Forster & Gregory 2006. Die studie werd alleen wel op een verkeerde manier getoond in AR4, maar in de oorspronkelijke gepubliceerde vorm is het een solide resultaat. IPCC merkt in AR5 echter terecht op dat je vraagtekens kunt plaatsen bij het resultaat om de doodeenvoudige reden dat de studie data uit een korte periode gebruikt en het maar de vraag is of zo’n korte periode wel representatief is voor de klimaatgevoeligheid op tijdschalen van een eeuw of langer.

Wij zijn het wat dat betreft met het IPCC eens en om diezelfde reden nemen we de schatting van Lindzen & Choi (de laagste schatting van allemaal) ook niet mee. Wij omarmen dus niet standaard alle studies die tot een lage klimaatgevoeligheid komen. We stellen dat je een zo lang mogelijke periode uit de zogenaamde “instrumentele periode” zou moeten gebruiken, de periode van 1850 tot nu. Die periode is waarschijnlijk lang genoeg om de invloed van interne variabiliteit te beperken. Over geen andere periode in de aardse klimaatgeschiedenis beschikken we over meer en betere data, ondanks alle onzekerheden. De vier studies waaruit wij onze beste schatting en range afleiden zijn dan ook gebaseerd op deze instrumentele periode.

Paleo
In de laatste alinea gaat Verheggen wat meer inhoudelijk in op de methodes waarmee je klimaatgevoeligheid kunt bepalen.

Er zijn vier manieren om de klimaatgevoeligheid te bepalen, zegt Verheggen. Elke methode heeft zijn voordelen en zijn onzekerheden. “De observatiestudies bestrijken maar anderhalve eeuw. Een grote, onzekere factor daarin is de warmte-opname door oceanen. De paleostudies, de reconstructies van vroegere klimaatveranderingen, hebben die onzekerheid veel minder. Daar zit het probleem in de vertaling naar het heden. Het is juist heel terecht dat het IPCC de uitkomsten van alle methodes combineert.”

Een grote onzekere factor in de observationele studies is volgens Verheggen de warmte-opname in de oceanen. Wij zijn het hier niet mee eens. Verreweg de grootste onzekere factor in de instrumentele schattingen zijn de onzekerheden in de forcings die grotendeels bepaald worden door aerosolen en wij gaan hier uitgebreid op in. Uiteraard zijn er ook onzekerheden rond de warmte-opname door de oceanen. Zie voetnoot 50 van ons rapport waarin we uitleggen dat wij ook hier een conservatieve (conservatiever dan Gregory zelf) aanname hebben gedaan voor de warmte-opname aan de begin van de instrumentele periode (toen we nog geen metingen hadden in de oceanen).

Verheggen benadrukt alleen maar nadelen/onzekerheden van de instrumentele schattingen (bestrijken maar anderhalve eeuw, onzekerheid oceanen) om dan een voordeel en een nadeel van paleostudies te noemen waarbij het overigens de vraag is wat hij precies bedoelt als hij zegt “de paleostudies hebben die onzekerheid veel minder”. In ons rapport citeren wij op pagina 36 wat het IPCC zelf zegt in AR5 over paleostudies:

However, uncertainties in palaeoclimate estimates of ECS are likely to be larger than from the instrumental record, for example, due to changes in feedbacks between different climatic states.

Daar is geen woord Chinees bij! De onzekerheden bij schattingen in paleostudies zijn groter dan bij de instrumentele schattingen, erkent IPCC, en niet kleiner zoals Verheggen suggereert met zijn opmerking “de paleostudies hebben die onzekerheid veel minder”.

Vertroebelen
“Zwakke studies vertroebelen het beeld” (poor estimates obscure the issue) luidt een van de hoofdstukken in ons rapport. Verheggen in Trouw en zijn medebloggers op de blog Klimaatverandering bevestigen dat dit de “strategie” is waarmee de klimaatgemeenschap momenteel de kop in het zand steekt.

“Wij baseren ons op al het bewijs”, zeggen zij steevast, verwijzend naar de bovenstaande figuur. Ik nodigde Verheggen per e-mail uit om concreter te worden. Noem eens vier/vijf wetenschappelijke studies die een “hoge” schatting (drie graden of meer) geven voor klimaatgevoeligheid en die jij goed vindt. Nee was min of meer zijn repliek, want ik baseer met op “al het bewijs”.

Ironisch
Ik kan niet nalaten om iets zeer ironisch op te merken. Sceptici wordt vaak verweten misbruik te maken van onzekerheden om op die manier klimaatbeleid uit te stellen, een argument dat ik zelf overigens nooit zou gebruiken omdat je bij klimaat nou eenmaal altijd met onzekerheden te maken zult hebben. Het verwijt is dan dat sceptici eerst 100% zekerheid zouden willen hebben voordat ze zouden willen overgaan tot mitigatiebeleid.

De afgelopen dertig jaar is ondanks miljarden aan klimaatonderzoek de range voor klimaatgevoeligheid niet veranderd en de onzekerheid is dus niet kleiner geworden. Het was 1,5 tot 4,5 graden in 1979 en dat is het nog steeds in AR5. Lewis en ik laten nu echter zien dat je op basis van de meest recente en beste wetenschappelijke inzichten deze range kleiner kunt maken, onze 1,25 tot 3 graden. De onzekerheden zijn dus wel degelijk kleiner geworden, een klein hoera voor de wetenschap graag!

Maar helaas gaat de range de ‘verkeerde’ kant op. Dus wat doet men: zwakke studies op een hoop gooien met goede studies, het beeld vertroebelen en dus claimen dat onzekerheden groter zijn dan ze zijn.

Ik ben er zeker van dat als de observationele schattingen zouden duiden op een range van 3 tot 4,75 met een beste schatting van 4, het IPCC dit groot gebracht zou hebben en dat het precies die voordelen zou noemen van de methode die wij ook aangeven in ons rapport (gaat grotendeels om observaties, gaat om ons huidige klimaat, is gebaseerd op behoud van energie, bestrijkt juist anderhalve eeuw wat lang genoeg zou moeten zijn om het effect van broeikasgassen zichtbaar te maken).

Mijn uitnodiging aan Verheggen blijft staan. Kom met een vijftal goede studies die een hoge klimaatgevoeligheid ondersteunen. Als daar modelschattingen tussen zitten, leg uit waarom modellen nu bijna twee keer zo gevoelig zijn als de “observaties” en waarom we meer waarde zouden moeten hechten aan modellen dan aan waarnemingen. Noem man en paard zoals wij dat ook gedaan hebben.