Trouw komt vandaag met maar liefst twee stukken (een zelfs op de voorpagina! en een op pag 12/13) over de klimaatsessie die Economische Zaken vorige week organiseerde voor minister Kamp. De stukken putten met name uit de notitie die PBL/KNMI schreef ter voorbereiding op de sessie. Die stukken plus de presentaties van Bart Strengers en Wilco Hazeleger staan nu ook online.

Mijn naam is weliswaar genoemd in Trouw maar uit mijn stuk is niet of nauwelijks geciteerd. Trouw zet stukken tegenwoordig niet meer gratis online en ik zal daarom de stukken zeker vandaag nog niet integraal online zetten. Het stuk op de voorpagina begint als volgt:

Kamp wil feiten over het klimaat

Nieuwe minister hoopt zin en onzin te scheiden zodat hij weet waarop hij beleid moet baseren

Minister Henk Kamp (economische zaken) wil af van de controverse tussen klimaatsceptici en wetenschappers over de opwarming van de aarde. In een vertrouwelijke sessie met deskundigen heeft hij getracht de zin en de onzin in het klimaatdebat te scheiden, als basis voor nieuw beleid.

Kamp is sinds kort verantwoordelijk voor het klimaatbeleid. Wetenschappers zijn het over het algemeen eens over de ernst van de opwarming van de aarde, maar in het maatschappelijk debat worden de uitkomsten van onderzoek betwist. Kamp wil weten welke argumenten in de discussie op feiten zijn gebaseerd, en welke op fictie. Hij vroeg vertegenwoordigers van het KNMI en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) om presentaties te houden. Ook klimaatjournalist Marcel Crok, die vraagtekens zet bij de rol van CO2 bij de opwarming van de aarde, mocht zijn visie geven. Alle deelnemers hebben geheimhouding moeten beloven over het gesprek, maar publiceerden wel de door hen geleverde stukken.

De rest van het stuk op de voorpagina put uitsluitend uit de Notitie van het PBL/KNMI. In het tweede langere stuk wordt wel heel summier iets over sceptische argumenten gezegd. Bijvoorbeeld:

Maar, zeggen sceptici, de aarde warmt sinds 1998 niet meer op. En wellicht belangrijker: klimaatmodellen hebben deze stagnatie niet voorzien.

1998 was inderdaad een recordjaar (al kwamen 2005 en 2010 dicht in de buurt). Dat kwam door het krachtige klimaatverschijnsel El Niño waarbij warmte uit de oceaan in de atmosfeer komt. Het afgelopen decennium kende enkele La Niña’s met een tegengesteld effect.

Bovendien is het niet in de haak om een trendbreuk te signaleren door te beginnen bij een recordjaar. 1998 was een uitschieter. Wie over een langere periode kijkt, ziet dat de modellen in de pas lopen met de feitelijke klimaatverandering. Zo was het eerste decennium van deze eeuw ongekend warm en verdreef dit het laatste decennium van de vorige eeuw van zijn eerste plaats.

Uiteraard zal de lezer de indruk krijgen dat ik heb gesteld dat de aarde sinds 1998 niet meer opwarmt. Helaas heb ik dat niet. Dit schreef ik:

Waar blijft de opwarming? Deel 2
De laatste jaren is er groeiende onrust over het gebrek aan opwarming in de laatste 15 jaar. De wereldtemperatuur lijkt op een plateau te zitten, de opwarming stagneert. In diezelfde periode is CO2 harder dan ooit gestegen. Er zijn geen grote vulkaanuitbarstingen geweest (die leiden tot kortstondige afkoeling) en ook de bijdrage van aerosolen is waarschijnlijk eerder afgenomen dan toegenomen. Er wordt volop gespeculeerd over de oorzaak van deze stagnatie, vooralsnog kun je zeggen dat the jury is out.
Klimaatmodellen zagen deze stagnatie niet aankomen. Sowieso kan je stellen dat klimaatmodellen, hoe goed ze op het oog ook overeen komen met de mondiale temperatuur, hoger uitvallen dan de werkelijkheid. Dat is goed te zien in onderstaande figuur:

In zwart de waargenomen mondiale opwarmingstrend in graden/decennium. In blauw de gemiddelde trend van de modellen. Paars is 95% onzekerheidsrange rond de waarnemingen. De blauwe stippellijn geeft de onzekerheid rond de modellen aan. De trend is steeds berekend vanuit het betreffende jaar tot aan augustus 2012. Dus het punt in 1975 is de trend over de periode 1975-2012.
Op alle momenten is de opwarming in de modellen groter dan in werkelijkheid. Vanaf midden jaren negentig begint de opwarmingstrend te dalen. De trend sinds 2001 en 2002 (inclusief de onzekerheidsmarges) valt zelfs helemaal buiten de range van de modellen. Merk op dat de modellen de periode na 2000 niet hebben kunnen tunen en dat er over deze periode dus sprake is van een ‘voorspelling’.
Ik vraag klimaatonderzoekers in interviews vrijwel altijd hoe lang de stagnatie mag duren voordat ze gaan twijfelen aan de broeikashypothese. De antwoorden variëren van tien tot dertig jaar. Stel je voor wat er zou gebeuren als er werkelijk dertig jaar lang (dus tot 2025) geen opwarming te zien zal zijn. Kan je dan nog volhouden dat het twee voor twaalf is?

Zoals de grafiek laat zien is er geen sprake van cherry picking ten opzichte van piekjaar 1998. De stagnatie zette al eerder in en is na 1998 doorgegaan. Wat Trouw wel terecht opmerkt is dat het verschil met de modellen misschien wel het belangrijkste is.

Klimaatgevoeligheid
In een kader gaat Trouw nog in op het debat over klimaatgevoeligheid:

Uit modellen en met name reconstructies uit het verleden leiden klimaatwetenschappers af dat de aarde 2 à 4,5 graden opwarmt bij een verdubbeling van de CO2-concentratie, met 3 graden als meest waarschijnlijke waarde. Sceptici zoeken hier vaak de randen van het debat op en vinden altijd wel studies met een lagere gevoeligheid. Als bewijs daarvoor memoreren ze dat de aarde bij de huidige CO2-concentratie al twee graden warmer had moeten zijn in plaats van 0,8. Het valt dus wel mee, volgens hen.

Dat is een redeneerfout. Die waardes gelden voor een klimaatevenwicht en dat is nog niet bereikt. Als er vanaf nu geen enkel CO2-molecuul werd uitgestoten, zou de temperatuur toch nog zeker één graad oplopen.

Dit is onjuist. Bij de huidige discussies over klimaatgevoeligheid wordt ook door sceptici wel degelijk rekening gehouden met de opwarming van de oceanen. In werkelijkheid nemen de oceanen echter veel minder warmte op dan de oceanen in de klimaatmodellen en dit is een van de redenen waarom de klimaatmodellen uitkomen op een hogere klimaatgevoeligheid.

Het lange blogbericht dat Nic Lewis hier eind 2012 over schreef is echt verplichte kost voor iedereen die wil weten waar het debat over klimaatgevoeligheid over gaat. Lewis doet niets meer en niets minder dan methodes die eerder toegepast zijn door mainstream onderzoekers bijwerken met de nieuwste data (uit het gelekte IPCC-rapport) voor forcing (vooral het effect van broeikasgassen en aerosolen) en voor de opwarming van de oceanen. Dan komt hij op een beste schatting (de piek van de curve) van 1,6 graden voor de Equilibrium Climate Sensitivity, oftewel klimaatevenwicht. Lewis stelt terecht in mijn ogen dat aan deze op de recente observaties gebaseerde schattingen de meeste waarde gehecht moet worden. Schattingen op basis van klimaatmodellen zijn nog weinig waard omdat de modellen zoveel tekortkomingen hebben (zie mijn presentatie bij EZ) en schattingen gebaseerd op het verre verleden zijn ook erg onzeker omdat er dan grote onzekerheden zijn over de temperatuurveranderingen en de forcings. In dit geval zoeken sceptici dus niet zozeer de randen van het debat op. Ze stellen dat op dit moment de betrouwbaarste methode is om met de observaties en beste schattingen van de forcings een inschatting te krijgen van de klimaatgevoeligheid en dat die schattingen uitkomen op ongeveer 1,6 graden voor een verdubbeling van de CO2-concentratie. Andere recent gepubliceerde studies (bv Aldrin 2012 en Ring 2012*) komen ook uit op schattingen van 1,6 graden. Ondertussen is de likely range van het IPCC nog altijd 2 tot 4,5 graad. Die likely range is derhalve aan herziening toe. Lewis en ik met hem betwist de randen waaraan het IPCC blijft vasthouden.

Treurig dat de schamele twee keer dat de sceptische inbreng in het Trouw-stuk genoemd wordt er totaal geen recht wordt gedaan aan de argumenten. Hopelijk leest Kamp dit verslag niet, want het zal er niet toe leiden dat hij zin en onzin beter zal weten te scheiden.

* Aldrin et al. (2012), an impressively thorough study, gives a most likely estimate for ECS of 1.6°C and a 5–95% range of 1.2–3.5°C.
* Ring et al. (2012) also estimates ECS as 1.6°C, using the HadCRUT4 temperature record (1.45°C to 2.01°C using other records).