Kees le Pair stuurde me onderstaand persbericht over een nieuw rapport dat hij opstelde en ook naar de Tweede Kamer stuurde. Ik heb delen van het rapport gelezen. Het is degelijk en grondig werk. De hoofdconclusie moge duidelijk zijn: windstroom valt tegen.

Het is al langer bekend dat windmolens maar ongeveer een kwart van hun maximale vermogen opleveren op jaarbasis. Vervolgens moet echter nog in ogenschouw worden genomen dat de back-up die nodig is als het niet waait het rendement van de back-up centrales lager maakt.

Volgens het rapport maken CBS-cijfers het nu voor het eerst mogelijk om te bepalen hoe groot het effect is van het verlaagde rendement van met name gasgestookte centrales die een tekort aan windstroom moeten ondervangen. Le Pair concludeert dat uiteindelijk een rendement overblijft van het windpark van 8,7%. Bedenk de eerstvolgende keer dat een nieuw windpark wordt aangeprezen met de tekst “kan 100.000 huishoudens van stroom voorzien” dat het er in werkelijkheid maar 8700 zijn.

Hieronder volgt het volledige persbericht:

WINDSTROOM VALT TEGEN.

In een rapport dat deze week werd gestuurd aan de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en aan de Vaste Commissie van de Tweede Kamer, is aangetoond dat de bijdrage die windmolens leveren aan de besparing van fossiele brandstof en aan vermindering van uitstoot van CO2 in de atmosfeer vijf keer zo weinig is als tot nu toe werd aangenomen. Windmolens zijn daardoor een enorme verliespost waar nauwelijks voordeel tegenover staat.

Tot nu toe bestreden voor- en tegenstanders van windstroom elkaar op basis van modelberekeningen bij gebrek aan directe gegevens. Daaraan lijkt nu een eind te zijn gekomen. De productie van ‘hernieuwbaar’ geproduceerde stroom is thans zo groot dat zij in voldoende mate zichtbaar is in de nationale statistieken die het CBS over de stroomproductie verzamelt en op Statline publiceert.

Uit die gegevens blijkt dat de windparken in Nederland inderdaad produceren zoals verwacht. Zij maken gemiddeld ongeveer 23% van de stroom, die zij maximaal zouden kunnen leveren. (Maximaal wil zeggen: indien het altijd goed zou waaien en de molens nooit voor reparatie buiten bedrijf zouden zijn.) Tot nu toe ging men er vanuit dat die stroom gewone, conventioneel gemaakte elektriciteit zou vervangen en daarmee de fossiele brandstof – en CO2 uitstoot – die daarvoor nodig is zou besparen. Technici ruzieden onderling over de vraag in hoeverre zo’n besparing reëel was? De onregelmatig inkomende windstroom beïnvloedt het rendement van de conventionele eenheden, die de wind­variabiliteit moeten corrigeren. Hierdoor neemt hun brandstof verbruik toe en vermindert de besparing. Voorstanders van windelektriciteit meenden dat die vermindering met enkele procenten verwaarloosbaar was. Tegenstanders schatten hem hoger in.

Uit de CBS-cijfers blijkt nu dat de fossiele brandstof besparende stroom niet 23% maar slechts 8,7% van de maximale opbrengst groot is.

Het rapport wijst er op, dat de CBS-statistiek alleen gegevens bevat over de verbruikte brandstof tijdens de stroomproductie. De conventionele stroomproductie is opgebouwd – en zij is toerijkend – voor een adequate stroomvoorziening. Er moet immers ook voldoende elektriciteit zijn wanneer het een tijd niet waait. Windmolens worden toegevoegd om brandstof te sparen. Dan is de vraag gerechtigd in hoeverre zij dat doen? Dus moet men ook de energie in rekening brengen, die nodig was om de molens te bouwen, te installeren en om ze aan te sluiten op het net. Daarbij moet ook nog worden opgeteld de energie nodig voor de aanpassingen die aan het hoogspanningsnet worden aangebracht, zoals net uitbreiding en hoogvermogen verbindingen met buurlanden waaronder onderzeese kabels naar Noorwegen en Engeland. Het rapport concludeert dat verrekening van die energie-investering bovengenoemde 8,7% verder reduceert tot 4,1%. Hiermee is de besparing ruim 5 keer zo klein als voorheen werd aangenomen.

Verdere uitbreiding van het windvermogen zou allengs de besparing tot nul reduceren en doen omslaan in vergroting van de fossiele brandstofinzet.

De auteur schat in een begeleidende brief aan de Tweede Kamer dat hierdoor de extra jaarlijkse kosten van de geplande windmolen uitbreiding ruimschoots de kosten van bijv. de huisartsenzorg in het land overtreffen. (‘Extra’ betekent boven wat een zelfde stroomvoorziening door middel van enkele gasgestookte eenheden zou vergen.)

Dr. C. le Pair, Nieuwegein