Richard Tol publiceerde gisteren wederom een interessant opiniestuk in NRC over de milieuconferentie in Rio. Hieronder met zijn toestemming het artikel, dat iets kan een kleine beetje afwijken van de tekst in NRC.

De VN vieren een feestje. Het is 20 jaar geleden dat de wereld bijeenkwam in Rio, internationale afspraken gemaakt werden, en nieuwe organisaties opgezet. Tijd voor een nieuwe wereldtop in Rio. Dit keer gaat het over Groene Groei, een plan om de meeste mensen een beetje armer te maken (en een enkeling veel rijker).

Feestjes worden meestal gegeven als er iets te vieren is. De Wereldtop over Milieu en Ontwikkeling in 1992 heeft weinig opgeleverd. Het Groene Kruis werd daar opgericht, en de internationale verdragen over biodiversiteit, ontbossing en verwoestijning onderhandeld. Voetnoten in de geschiedenis van de falende milieudiplomatie. De internationale klimaatonderhandelingen komen ook voort uit Rio 1992, maar die zijn ondertussen verworden tot een bureaucratisch vliegwiel zonder effect op de uitstoot van broeikasgassen.

Rio 1992 was het jubileum van Stockholm 1972, de internationale conferentie waar milieubeleid respectabel werd. Bodem, lucht en water zijn nu een stuk schoner dan in 1972, althans in Europe, Japan and Noord Amerika. Het milieubeleid heeft echter veel aan kracht ingeboet nu de aandacht verschoven is van gif in de speeltuin naar soortenrijkdom.

Het hoofdthema van de Wereldtop over Duurzame Ontwikkeling in Rio in 2012 is de Groene Groei. Dit is begrijpelijk. De wereldeconomie zwalkt van crisis naar crisis. De milieubeweging kan alleen op de politieke agenda blijven als het economische groei en werkgelegenheid belooft.

Die beloftes zijn loos. Begrippen als “duurzame ontwikkeling” en “groene groei” lijken breed maar in de praktijk is het klimaatbeleid onder een andere naam. De lokale milieuproblemen in Azië, Zuid-Amerika en Afrika doen er niet toe in de ogen van de mondiale milieu-elite. Het milieubesef in de rijke landen komt juist voort uit de lokaliteit. Niemand in Europa wil terug naar de tijd van de dode rivieren. Maar mensen in Azië wordt gevraagd de verstikkende lucht te negeren en de aandacht te richten op een abstract probleem in de toekomst.

Klimaatbeleid draagt niet bij aan de economische groei of de werkgelegenheid. Integendeel.

Ongeveer 2% van het Bruto Europese Product wordt besteed aan energie. Als de energiesector met 10% groeit, dan groeit de economie met 0.2%. Een kleine sector kan de economische groei niet aanzwengelen. Dat geld in sterkere mate voor de werkgelegenheid. Ongeveer 1% werkt in de energiesector. Als het aantal energiewerkers verdubbelt, dan daalt de werkloosheid licht.

De vraag naar energie is min of meer verzadigd, althans in Europa. We reizen zoveel als we tijd hebben, en onze huizen zijn warm genoeg. Groei van de energiesector komt niet voort uit groei in de hoeveelheid energie, maar uit een prijsstijging. Hogere energieprijzen worden vaak gevolgd door recessies. De economie groeit sneller als energie goedkoop is.

Een vergroening van het energiegebruik is een omwenteling binnen de energiesector. Het gaat om het slimmer gebruiken van energie en om andere energiebronnen. Dat betekent dat we meer investeren om minder of andere energie te gebruiken, een vreemd voornemen voor een Europa dat verdrinkt in de schuld.

Beleidsmakers zeggen graag dat energie de groeisectoren van de toekomst zijn. Het voorbeeld van Denemarken wordt vaak aangehaald. Denemarken heeft een hoop geld verdiend met het verkopen van windturbines en de expertise om windturbines te maken. Veel Denen leven van de wind.

Of misschien toch niet. De Deense windindustrie begon snel te groeien toen eerst Duitsland en daarna de rest van Europa subsidies begon te geven. Denen leven niet van de wind, maar van de gulheid van buitenlandse beleidsmakers.

Het zou natuurlijk mooi zijn als we de Duitse regering zo ver krijgen om geld over te maken naar het bedrijfsleven in Nederland. Het is echter een riskante strategie. Bijna elk land zet in op energie. De meeste landen zullen deze gok verliezen.

De zorg voor het milieu is breder dan klimaat alleen. Het oplossen van andere milieuproblemen helpt de economie op termijn – gezondere mensen zijn productiever – maar niet nu. De luchtverontreiniging in de opkomende landen vraagt om filters voor de uitlaatgassen van voertuigen en fabrieken. De armste landen hebben betere fornuizen nodig. Waterschaarste vereist betere bewateringsmethoden, ontbossing intensiever gebruik van landbouwgrond. Stuk voor stuk investeringen die de economie eerst een beetje afremmen maar zeer de moeite waard zijn. Zelfs de afvalscheiding, een tak van de milieubescherming die zeer veel mensen (laag betaald en gevaarlijk) werk verschaft, wordt meer en meer gemechaniseerd.

Het is geen nieuw idee om de economische groei te stimuleren door een bepaalde industrie te ondersteunen. Groene energie is de laatste in een reeks die begon met Frans glas onder Lodewijk XIV. De geschiedenis toont dat de beschermde industrie zelden leert om op eigen benen te staan, maar er wel in slaagt om meer subsidies los te krijgen.

Groene Groei is een poging van de milieubeweging om relevant te blijven in een tijd van economische crises. Beleidsmakers kunnen hun favorieten helpen, en subsidiejunkies krijgen een nieuw shot. Ik hoop dat Rio 2012 net zo’n succes wordt als Rio 1992.

Richard Tol is hoogleraar economie aan de University of Sussex en de Vrije Universiteit Amsterdam.