NRC plaatste gisteren een interessant opiniestuk van Richard Tol over de klimaatonderhandelingen in Bonn. Tol is hoogleraar klimaateconomie aan de University of Sussex in Engeland. Hij gaf toestemming om zijn artikel hier door te plaatsen. Dit is overigens het origineel, het stuk in NRC was iets ingekort.

 

Klimaatcircus moest maar eens ophouden

De klimaatonderhandelingen moeten radicaal hervormd worden. Dat is niet gebeurd tijdens de klimaatconferentie in Bonn. Het belangrijkste onderwerp voor de onderhandelaars was de agenda van de volgende conferentie, en wie de voorzitter zal zijn. Er wordt gepraat over gepraat.

Het VN Raamverdrag over Klimaatverandering is nu 20 jaar oud. Het was aanvankelijk een groot succes. Zelden is een VN verdrag zo snel door zo veel landen aangenomen. Dat is niet zo verwonderlijk, want het Raamverdrag behelst weinig meer dan een belofte om te onderhandelen.

En onderhandelt is er de afgelopen 20 jaar. Hoewel het Raamverdrag een jaarlijkse klimaatconferentie instelde, werden er in 2011 maar liefst vier conferenties georganiseerd en nog 97 andere officiele bijeenkomsten in het kader van de klimaatonderhandelingen. Het hele circus was weer bij elkaar in Bonn van 14 tot 25 Mei. Vele landen hebben ambtenaren in dienst die weinig anders doen dan vergaderen over klimaatbeleid.

Ondanks de onderhandelwoede is er weinig bereikt. Kyoto was het hoogtepunt met afspraken over emissiedoelstellingen voor een beperkt aantal landen. Sommige landen, zoals de VS, hebben het Kyoto Protocol nooit geaccepteerd. Andere landen, zoals Canada, zijn weggelopen zodra de doelstelling bindend werd. Alleen Europa en Japan houden zich aan de afspraken die in Kyoto gemaakt zijn, en voornamelijk omdat de economie (en daarmee de uitstoot) zo langzaam gegroeid is.

Internationale klimaatonderhandelingen zijn moeilijk. De hele wereld profiteert van de Nederlandse uitstootbeperking, maar alleen Nederland draagt de kosten. Nederlandse emissies hebben een minieme invloed op het klimaat. Het is in ons zelfbelang om weinig tot niets te doen voor het klimaat. Laat anderen het probleem maar oplossen. Nederland wil natuurlijk wel wat doen als verplichting jegens de internationale gemeenschap, maar andere landen staan ook niet echt te trappelen om hun uitstoot te beperken.

Als ieder land zo redeneert dan wordt het klimaatprobleem dus nooit opgelost. De ervaring van de afgelopen 20 jaar leert dat veel landen inderdaad zo denken.

De voorzitster heeft de conferentie in Bonn geopend met een oproep tot bindende afspraken voor verregaande uitstootbeperking. Elke conferentie in de laatste 20 jaar is zo geopend, en het heeft tot niets geleid.

Bijna niets. Het klimaatcircus heeft veel bereikt voor de deelnemers: een vaste baan, promotiekansen, wereldreizen, eindeloos gepraat, en stapels notas. Er zijn zelfs mooie huwelijken uit voortgekomen.

Maar als het klimaatprobleem opgelost moet worden, dan is een andere aanpak nodig. Voetbalcoaches staan meestal op straat voordat ze de kans krijgen 20 keer op rij te verliezen. Klimaatonderhandelaars hebben 20 seizoenen op rij verloren, maar gaan ongestoord in het oude stramien verder.

De nieuwe aanpak moet ervan uitgaan dat ieder land doet wat het wil. Als China geen klimaatbeleid wil, dan wil China geen klimaatbeleid. We sturen geen kanonnenboten de Gele Rivier op als ze niet mee willen doen. China is echter doodsbang voor het mogelijke uitdrogen van het Tibetaanse Plateau en daarmee het opdrogen van de grote rivieren. De Chinese leiders zijn ervan overtuigd dat uitstootbeperking in het eigenbelang van China is. Ze willen dat niet in een internationaal verdrag vastleggen, maar ze willen het wel.

Opiniepeilingen en verkiezingsuitslagen laten zien dat de meerderheid der mensen in democratische landen er net zo over denken. We willen geen opwarmende aarde nalaten aan onze kleinkinderen.

De meerderheid ondersteunt klimaatbeleid ook als andere landen niets doen. Voorzichtigheid is echter geboden. Als Nederland een streng klimaatbeleid zou voeren, maar Belgie en Duitsland niet, dan verdwijnt de Nederlandse industrie als sneeuw voor de zon over de grens. Het klimaatbeleid in Nieuw Zeeland doet er echter voor Nederland niet toe.

Nationaal klimaatbeleid moet dus afgestemd worden op het beleid van de belangrijkste handelspartners. Handelsclubs zoals de EU, NAFTA, MerCoSur en ASEAN moeten het voortouw nemen. In plaats van VN onderhandelingen over bindende afspraken, zouden er regionale dialogen moeten zijn over het afstemmen van beleid. Het VN Raamverdrag heeft uitstootgegevens gestandariseerd, wat zulke discussies vergemakkelijkt.

Dat zou aangevuld moeten worden met afspraken tussen de dominante landen in bepaalde sectoren. De autoindustrie wordt bepaald door bedrijven uit 9 landen. Als die rond de tafel gaan zitten dan kan er veel sneller iets bereikt worden dan wanneer alle landen meepraten in de VN.

De kosten van uitstootbeperking lopen sterk uiteen. Het is duur in landen waar er zuinig met energie wordt omgesprongen, en goedkoop waar energie verkwist wordt. De landen die het meest geinteresseerd zijn in uitstootbeperking zijn vaak de landen waar dit het duurst is. Er moet dus een mogelijkheid zijn voor een land om te investeren in uitstootbeperking in een ander land. Die mogelijkheid is geschapen met de flexibiliteitsinstrumenten van het Kyoto Protocol. In tegenstelling tot de doelstellingen verjaart dit deel van het Kyoto Protocol niet.

De belangrijkste elementen van een realistisch internationaal klimaatbeleid zijn er dus al: standaard data, international flexibiliteitsinstrumenten, en politieke wil.

Het lijkt mij dus hoog tijd om de VN klimaatonderhandelingen terug te brengen naar het niveau dat 20 jaar geleden voorzien was: een keer per jaar een kleine bijeenkomst. De besprekingen die er werkelijk toe doen kunnen beter op kleinere schaal in andere gremia voortgezet worden. Dat tast de arbeidszekerheid van de professionele klimaatonderhandelaar aan, maar het kan het klimaatprobleem oplossen.

Richard Tol is hoogleraar economie aan de University of Sussex en hoogleraar klimaateconomie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.