In het blad Milieu van de VVM staat deze maand een dubbelinterview dat Jan Paul van Soest en ik enige tijd geleden hadden in Amersfoort. Van Soest noemt zichzelf een sceptische alarmist in het stuk, waarmee hij bedoelt dat hij gezond sceptisch is, maar dat die houding en bestudering van de literatuur er toch toe geleid heeft dat hij een alarmist is. Hij schat dat de klimaatgevoeligheid 4,5 graden is, de bovengrens van de range die het IPCC hanteert.

Van Soest zocht zelf contact met mij na de publicatie van mijn boek. Ik heb eerst lang met hem gesproken op mijn kantoor en de tweede keer hebben we elkaar dus geïnterviewd. Beide gesprekken verliepen bijzonder plezierig en ik denk dat dit soort uitwisselingen van gedachten belangrijk is om het klimaatdebat verder te helpen. (Overigens heb ik uit betrouwbare bron vernomen dat een lid van de VVM zijn lidmaatschap heeft opgezegd omdat ik erin stond. Met dat lid zou ik graag het volgende dubbelinterview willen maken)

Ik moet zeggen dat ik wel teleurgesteld ben over het essay dat Van Soest recent publiceerde, klompen in de machinerie. Het stuk heeft als ondertitel ‘Bewuste en onbewuste sabotage van de transitie naar een duurzame energiehuishouding.’ Heel kort gezegd betoogt Van Soest dat klimaatscepsis in groeiende mate de transitie naar duurzame energie belemmert. Hij ziet als achterliggende reden twee motieven: financiering vanuit conservatieve hoek en de vrije markt als hoogste ideaal. Met die twee factoren zou klimaatscepsis grotendeels te verklaren zijn.

In onze gesprekken heb ik hem er al op gewezen dat deze motieven niet opgaan voor het overgrote merendeel van de critici die in mijn boek genoemd worden en ook niet voor mijzelf. Zijn essay is dus maar een deel van de complexe werkelijkheid en door niet expliciet te maken dat er ook legitieme wetenschappelijke kritiek is die niet onder zijn twee noemers valt, schetst hij in mijn ogen een misleidend beeld van het klimaatdebat.

Zijn essay leunt in sterke mate op het boek Merchants of Doubt van Naomi Oreskes dat een drietal bekende Amerikaanse klimaatsceptici, van wie alleen Fred Singer nog in leven is, door het slijk haalt. Het zouden twijfelzaaiers zijn alleen maar omwille van een hoger doel, het voorkomen van klimaatbeleid.

Deze drie heren hebben mogelijk invloed gehad in Amerika, maar opnieuw, als ik kijk naar de wetenschappers die in mijn boek valide kritiek uiten op de consensus visie, dan speelt alleen Singer daarbij een ‘bescheiden’ rol vanwege zijn bemoeienis met de hot spot in de tropen. De overige twee – Seitz en Nierenberg – worden niet eens genoemd.

Dat er vanuit conservatieve hoek gelden worden vrijgemaakt voor onderzoek en lobby naar publiek en politiek betwijfel ik niet. Waarvoor wordt tegenwoordig niet gelobbyd? Er werken niet voor niets 15.000 lobbyisten in Brussel en in Washington waarschijnlijk een veelvoud daarvan. Wat er bij mij echter niet in gaat is dat de lobby vanuit conservatieve hoek vele malen groter en invloedrijker zou zijn dan de lobby uit progressieve hoek. Dit werd bevestigd door Matthew Nisbet in zijn Climate Shift project, volgens mij de eerste serieuze poging om geldstromen voor klimaatlobby in de VS in kaart te brengen. Daaruit blijkt dat er geen sprake is van David (de milieubeweging) tegen Goliath (de fossiele lobby) maar van Goliath tegen Goliath. Beide ‘groeperingen’ beschikken over grote geldsommen te besteden aan publiekscampagnes en lobby.

Dit rapport van Nisbet schittert door afwezigheid in Klompen in de machinerie en dat is in mijn ogen een scepticus onwaardig. Maandag spreekt Van Soest bij een themalunch van Greenpeace over zijn essay. Misschien ga ik er maar eens heen om te vragen hoe hij Nisbet over het hoofd gezien heeft? Want de dialoog moeten we blijven voeren.