Vanmiddag geeft Mojib Latif (Leibniz Institute of Marine Sciences in Kiel) een colloquium bij het KNMI. In dit praatje concentreert hij zich op de Atlantic Meridional Overturning Circulation (AMOC).

Latif werd even wereldnieuws toen hij in 2009 op een congres in Geneve zei dat het klimaat nog wel eens tien jaar niet zou kunnen opwarmen. Althans, dat was wat Fred Pearce optekende in New Scientist. Hij heeft het geweten, want hij kreeg onmiddellijk Joe Romm c.s. achter zich aan.

Ik luisterde destijds zijn verhaal terug. Latif is verre van een klimaatscepticus. Hij sprak zelfs de volgende voor mij nog altijd curieuze woorden uit:

We really need good models and everybody who knows me is aware of the fact that I am definitely not one of the skeptics; if my name was not Mojib Latif, my name would be global warming. However, we have to ask the nasty questions ourselves or some other people will do it.

Hij distantieert zich op een overdreven manier van ‘sceptics’ alsof het een enge diersoort zou zijn. Kakkerlakken of zo. Maar goed, het zij hem vergeven, blijkbaar voelde hij zich geroepen om in de stelligste bewoordingen duidelijk te maken dat hij aan de kant stond van de andere sprekers, de invloedrijke Gerald Meehl en Tim Palmer.

Ondertussen is wat hij schrijft behoorlijk ‘sceptisch’. Hieronder volgt een deel van de conclusies van een review paper die hij vorig jaar schreef:

Decadal climate prediction is of socio-economic importance and has a potentially important role to play in policy making. While seasonal prediction is an initial value and centennial climate projections are basically boundary value problems, decadal prediction is a joint initial/boundary value problem.

Thus, both accurate projections of changes in radiative forcing and initialisation of the climate state, particularly the ocean, are required. Although the first promising steps towards decadal prediction have been made, much more work is required. Two problems deserve special attention.

First, a sufficient understanding of the mechanisms of decadal‐to‐multidecadal variability is lacking. The atmospheric response to mid‐latitudinal SST anomalies, for instance, is still highly controversial and future research should treat this as a key topic.

Second, model development is still an issue. One the one hand, state-of-the-art climate models suffer from large biases. On the other hand, they are incomplete and do not incorporate potentially important physics.

Even verderop schrijft hij:

Finally, we need to improve our models. Experience gained from numerical weather and seasonal prediction shows that reduction of systematic bias helps to considerably improve forecast skill.  Biases are still large in state‐of‐the‐art climate models. Typical errors in surface air temperature, for instance, can amount up to 10°C in certain regions in individual models. Hotspots in this respect are, for example, the eastern tropical and subtropical oceans exhibiting a large warm, and the North Atlantic and North Pacific generally suffering from a large cold bias. Likewise significant discrepancies to observations exist concerning the variability. Many models, for instance, still fail to simulate a realistic El Niño/Southern Oscillation. Thus it cannot be assumed that current climate models are well suited to realize the full decadal predictability potential.

Latif noemt zichzelf geen scepticus maar als je alle problemen die hij aansnijdt bij elkaar optelt dan moet je wel tot de conclusie komen dat nog met geen mogelijkheid te zeggen is hoe groot de decadal variability is ten opzichte het AGW-signaal en dat is nou net de $64.000 question. Ondertussen geeft hij toe dat de modellen nog grote afwijkingen hebben ten opzichte van het waargenomen klimaat.

Het is heel goed dat Latif een oproep doet aan de klimaatgemeenschap om zelf met de ‘nasty questions’ aan de slag te gaan. De volgende stap is om dan in alle eerlijkheid te zeggen wat dat betekent voor de attributie van klimaatverandering en voor de waarde die we op dit moment kunnen hechten aan projecties met modellen.