Op Climategate.nl (hier en hier) heeft Theo Wolters al uitgebreid verslag gedaan van de bijeenkomst met Fred Singer bij het KNMI. Ik deel Theo’s positieve gevoel bij de bijeenkomst en ook bij het etentje na afloop in een naburig restaurant. Het was een verademing om sceptici en mainstream onderzoekers op een rustige (en soms ook felle) maar altijd respectvolle manier met elkaar om te zien gaan.

Ik heb Singer nu een keer of vijf een verhaal zien houden. Deze keer was hij misschien wel het best op dreef. Hij was humoristisch en hij sprak minder binnensmonds dan vorige keren. Bijzonder was ook de aanwezigheid op de eerste rij van de Nederlandse Nobelprijswinnaar Gerard ’t Hooft. Co-organisator Hans Labohm had ’t Hooft op verzoek van Singer zelf uitgenodigd en was daar op in gegaan. ’t Hooft leek overigens vrij blanco in het klimaatdebat te staan en profileerde zich niet als de Nederlandse Freeman Dyson.

Gerbrand Komen had de bijeenkomst goed voorbereid en leidde vakkundig. Bart van den Hurk en Sybren Drijfhout gingen met Singer in debat (voor zover mogelijk). Gezien zijn leeftijd (86) en zijn slechte gehoor was het voor Singer moeilijk om ad rem te reageren en het debat kwam daardoor niet echt van de grond.

Gemiste kans
Hierdoor bekroop mij gaandeweg de bijeenkomst het gevoel dat er sprake was van een gemiste kans. Toen twee maanden geleden bekend werd dat KNMI open stond voor een bezoek van Singer en er per e-mail werd gebrainstormd over een mogelijke opzet van de middag was mijn eerste reactie: focus de bijeenkomst op de ‘missing’ hot spot in de tropen.

Singer is nauw betrokken bij deze discussie vanwege een paper die hij publiceerde samen met David Douglass en John Christy in 2007. Het is bij mijn weten de laatste wetenschappelijke publicatie van Singer. Niet verrassend begon Singer zijn verhaal gisteren inderdaad met de missing hot spot. Kort samengevat: klimaatmodellen verwachten dat er in de tropen op tien kilometer hoogte twee tot drie keer zoveel opwarming optreedt als aan het oppervlak (de hot spot). Metingen met weerballonnen en satellieten hebben de hot spot echter niet gevonden. Hieronder de grafiek uit het artikel van Douglass, Singer en Christy:

In rood het gemiddelde van de modellen. In blauw en groen verschillende datasets gebaseerd op weerballonnen en rechts met gele blokjes de trends van RSS en UAH voor twee lagen in de troposfeer. Singer liet dit plaatje gisteren wederom zien. In een persbericht dat ze destijds verstuurden verwoordde Christy de resultaten van hun artikel als volgt:

Co-author John Christy said: “Satellite data and independent balloon data agree that atmospheric warming trends do not exceed those of the surface. Greenhouse models, on the other hand, demand that atmospheric trend values be 2-3 times greater. We have good reason, therefore, to believe that current climate models greatly overestimate the effects of greenhouse gases. Satellite observations suggest that GH models ignore negative feedbacks, produced by clouds and by water vapor, that diminish the warming effects of carbon dioxide.”

Singer zei gisteren op onderkoelde toon dat hun paper een ‘strong reaction’ had gegeven in de klimaatgemeenschap. Wat heet. Een team van 18 onderzoekers onder aanvoering van Ben Santer ging in de tegenaanval. De paper van Douglass, Christy en Singer, die online was verschenen, werd 11 maanden vastgehouden, waardoor de paper van Santer c.s. tegelijkertijd in de International Journal of Climatology kon verschijnen. Dat bleek uit een analyse van Douglass en Christy van de climategate-e-mails, waarover ik in december 2009 blogte op climategate.nl.

Wat Singer overigens niet vermeldde is dat McKitrick, McIntyre en Herman zich in 2010 mengden in de discussie. Zij lieten zien dat als je de data neemt tot 2008 (en niet tot eind jaren negentig zoals Santer had gedaan), dat de verschillen tussen modellen en observaties zeer significant zijn.

Richard Lindzen redeneert als volgt bij het ontbreken van de hot spot, vorige week nog weer in zijn presentatie voor de American Chemical Society. De hot spot is volgens hem fysisch plausibel. Hij vertrouwt in deze dus de modellen. Je verwacht dus een factor twee sterkere opwarming op 10 km hoogte. Die is er echter niet. Lindzen acht het het meest waarschijnlijk dat de trend op 10 km hoogte zoals gevonden door weerballonnen en satellieten min of meer correct is. Hij vermoedt dat de oppervlaktewaarnemingen niet correct zijn. Hij neemt dan de trend op 10 km hoogte, die in de orde van 0,1 graad per decennium is, deelt die door twee en concludeert dan dat de opwarming in de tropen als gevolg van het versterkte broeikaseffect dus in de orde van 0,05 graden per decennium bedraagt. Verwaarloosbaar klein dus.

Het KNMI heeft zich in de peer reviewed literatuur niet gemengd in de discussie rond de missing hot spot. Het is dus mogelijk dat er te weinig expertise in huis was/is om het debat op dit onderwerp aan te gaan. Toch was Sybren Drijfhout tijdens het diner vrij uitgesproken naar mij over het onderwerp. Het PCCC reageerde ook uitgebreid en kritisch op de passage in mijn boek over de hot spot.

Ik weet dus niet precies wat de overwegingen zijn geweest om het niet over de hot spot te hebben. Wellicht kan Gerbrand Komen die veel tijd in de voorbereiding van de middag heeft gestopt hier iets meer over zeggen.

Van den Hurk deelde na afloop wel mijn mening en voegde eraan toe dat het nuttig zou zijn een separate bijeenkomst te beleggen over het al dan niet ontbreken van de hot spot en de eventuele betekenis daarvan voor het klimaatdebat.