Maandag stond er in Trouw een recensie over het nieuwe boek van Pier Vellinga, Hoezo Klimaatverandering. In de recensie werd verwezen naar mijn boek:

In zijn nieuwe boekje probeert Vellinga vooral te overtuigen. De klimaatwetenschapper rekent af met sceptici en in het bijzonder met wetenschapsjournalist Marcel Crok die in 2010 een boek schreef over de opwarming van de aarde met volgens Vellinga wel een erg persoonlijke interpretatie. Hij noemt de conclusies van Crok, die stelt dat de aarde in 2100 maar met 1 graad opwarmt, discutabel. Hij zou selectief hebben zitten shoppen in de beschikbare wetenschappelijke literatuur.

Welnu, nergens in het boek schrijf ik dat de aarde in 2100 maar met 1 graad opwarmt. Dit kan natuurlijk een onjuiste interpretatie zijn van de journaliste van Trouw. Dus boek aangevraagd en met dank aan Uitgeverij Balans kreeg ik het boek onmiddellijk toegestuurd. Dit schrijft Vellinga over mijn boek op blz. 126:

Een ander verhaal waarin vraagtekens worden geplaatst bij de berekeningen van het ipcc, wordt geleverd door de wetenschapsjournalist Marcel Crok. In 2010 publiceerde hij een boek dat hij dezelfde titel meegaf als de sinds 2006 verschijnende publicatie over klimaat van de Nederlandse wetenschappelijke instellingen: De staat van het klimaat. Op basis van een nogal persoonlijke interpretatie van de wetenschappelijke literatuur zet hij vraagtekens bij de opwarming van de aarde. Hij wijst hierbij op de gebreken van de temperatuurmetingen in het verleden en op de onderschatte invloed van de zon en van de luchtverontreiniging.
Wel erkent hij de kwaliteit van de meer recente satellietmetingen sinds 1978, en de opwarming van 0,5 graden Celsius die sindsdien is gemeten.
Een belangrijke omissie in Croks verhaal is dat hij de naijlende werking van de broeikasgassen buiten beschouwing laat, door ervan uit te gaan dat de huidige temperatuur volledig in evenwicht is met de huidige concentraties van broeikasgassen. Croks conclusie is dat het uiteindelijk gaat om niet meer dan 1 graad Celsius temperatuurstijging in 2100.

Ook in het boek beweert Vellinga dus dat ik schrijf dat het in 2100 maar 1 graad zal zijn. Hier is een fragment uit mijn boek (pag. 109) dat over deze kwestie gaat:

Over de theoretische 1 graad opwarming is weinig discussie tussenaanhangers van de broeikastheorie en sceptici. Maar wacht even, hoorik u denken, 1 graad opwarming, dat is toch niet zo dramatisch? Is alleheisa daarom begonnen? Nee, want het IPCC komt met veel hogere voorspellingen voor een verdubbeling van de CO2-concentratie. De meest waarschijnlijke range is 2 tot 4,5 graden opwarming, aldus het IPCC, met een beste schatting van 3 graden. Deze extra opwarming, boven de theoretische opwarming van 1 graad door ‘alleen’ CO2, is het gevolg van zogenoemde feedbacks.

Daarna beschrijf ik uitgebreid welke feedbacks er mogelijk werkzaam zijn om te vervolgen met:

Het IPCC gebruikt ongeveer twintig klimaatmodellen om de toekomst te verkennen. In al die modellen opereren waterdamp en wolken als een positieve feedback. Ze dragen bij aan extra opwarming boven op het directe effect van CO2. Daarom voorspellen de modellen geen opwarming van 1 graad, maar van 3 graden of meer.

We komen later uitgebreider terug op de rol van de feedbacks. Het is belangrijk om te beseffen dat het klimaatdebat niet gaat over de directe invloed van CO2 maar over de rol van feedbacks. Bekende sceptici zoals Richard Lindzen en Roy Spencer denken – in tegenstelling tot de modellen – dat er juist negatieve feedbacks werkzaam zijn en dat de opwarming van CO2 hierdoor gedempt wordt. Er zou dan maar 0,5 graad opwarming overblijven. Het totale effect van CO2 – het directe effect plus de feedbacks – is dan zo klein ten opzichte van de natuurlijke schommelingen in het klimaat, dat het onmeetbaar wordt.

Ik schets dus een behoorlijk gebalanceerd beeld van de klimaatdiscussie, geef netjes aan dat het IPCC tot drie graden komt door de bijdrage van positieve feedback en dat er sceptici zijn die menen dat de feedbacks netto negatief uitpakken waardoor de klimaatgevoeligheid beperkt blijft tot mogelijk maar een halve graad.

Ik geef dus geen ‘persoonlijke interpretatie’ aan de literatuur, ik geef simpelweg aan dat dit soort literatuur er is en dat het IPCC er weinig oog voor heeft en dat het IPCC toch vooral vertrouwt op de gemiddelde uitkomst van zo’n drie graden uit de klimaatmodellen.

Gisteravond voorafgaand aan het debat bij Studium Generale in Leiden gaf Vellinga toe dat ik dat van die een graad inderdaad niet heb geschreven. Het is sportief dat hij dat erkende. Te vaak in het klimaatdebat zijn mensen niet bereid fouten te erkennen, waardoor het debat moeizaam vooruit komt.

Tijdens zijn presentatie zei Vellinga ook dat selectief winkelen in feite onvermijdelijk is als je een boek schrijft (dit zal inderdaad blijken als we de komende weken wat uitgebreider ingaan op zijn boek) en ook op dat punt nam hij derhalve wat kritiek op mijn boek terug. Tenslotte noemde hij mijn boek en plein publiek ‘een aanrader’. In een volgende blogbericht zal ik wat uitgebreider ingaan op het debat van gisteravond. Theo Wolters schreef trouwens een uitgebreid verslag voor climategate.nl.