De voorlopige analyse van BEST wijkt weinig af van de drie bestaande temperatuurreconstructies.

Gisteren was er opnieuw een hoorzitting in het Amerikaanse congres over klimaatverandering. Veel aandacht ging uit naar opmerkingen van Richard Muller die met eerste voorlopige resultaten naar buiten kwam van zijn BEST-project.  Judith Curry pikte de meest pikante passage eruit:

Based on the preliminary work we have done, I believe that the systematic biases that are the cause for most concern can be adequately handled by data analysis techniques. The world temperature data has sufficient integrity to be used to determine global temperature trends.

Despite potential biases in the data, methods of analysis can be used to reduce bias effects well enough to enable us to measure long-term Earth temperature changes. Data integrity is adequate. Based on our initial work at Berkeley Earth, I believe that some of the most worrisome biases are less of a problem than I had previously thought.

Zie ook de grafiek bovenaan dit bericht waaruit blijkt dat de 2% data van het BEST-project een reconstructie oplevert die vergelijkbaar is met die van de drie andere groepen. Als dit resultaat stand houdt na analyse van alle data dan is dat wat mij betreft een opmerkelijke uitkomst. Een uitkomst die uiteraard de mainstream wetenschappers versterkt in hun idee dat de mondiale temperatuurreeksen van voldoende kwaliteit zijn. In H2 van mijn boek ga ik uitgebreid in op de vele problemen die er kleven aan de temperatuurmetingen. Die problemen zouden geleid kunnen hebben tot een overschatting van de opwarming, met name in de laatste halve eeuw.

Anthony Watts en ook Willis Eschenbach waren op WUWT pissig dat Muller al met voorlopige resultaten naar buiten kwam zonder dat hij zijn data en methoden openbaar maakte. Eschenbach en ook blogger Zeke Hausfather wezen er bovendien op dat Muller fouten maakte bij de door hem genoemde trendwaarden.

Watts ging zelfs zover dat hij er een brief achteraan stuurde naar het congres. Hierin maakte hij en passant voor het eerst de abstract openbaar van zijn langverwachte artikel over het surfacestations.org project:

Our paper, Fall et al 2011 titled “Analysis of the impacts of station exposure on the U.S. Historical Climatology Network temperatures and temperature trends” has this abstract:

The recently concluded Surface Stations Project surveyed 82.5% of the U.S. Historical Climatology Network (USHCN) stations and provided a classification based on exposure conditions of each surveyed station, using a rating system employed by the National Oceanic and Atmospheric Administration (NOAA) to develop the U.S. Climate Reference Network (USCRN). The unique opportunity offered by this completed survey permits an examination of the relationship between USHCN station siting characteristics and temperature trends at national and regional scales and on differences between USHCN temperatures and North American Regional Reanalysis (NARR) temperatures. This initial study examines temperature differences among different levels of siting quality without controlling for other factors such as instrument type.

Temperature trend estimates vary according to site classification, with poor siting leading to an overestimate of minimum temperature trends and an underestimate of maximum temperature trends, resulting in particular in a substantial difference in estimates of the diurnal temperature range trends. The opposite-signed differences of maximum and minimum temperature trends are similar in magnitude, so that the overall mean temperature trends are nearly identical across site classifications. Homogeneity adjustments tend to reduce trend differences, but statistically significant differences remain for all but average temperature trends. Comparison of observed temperatures with NARR shows that the most poorly-sited stations are warmer compared to NARR than are other stations, and a major portion of this bias is associated with the siting classification rather than the geographical distribution of stations. According to the best-sited stations, the diurnal temperature range in the lower 48 states has no century-scale trend.

Opmerkelijk
Dit resultaat is ook zeker opmerkelijk. Gemiddeld gezien (dag en nacht) is er dus ook in de door Watts onderzochte stations geen verschil tussen de ‘slechte’ en de ‘goede’ stations in de VS. Ook dit zal gevierd worden als een overwinning door NOAA, die verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het meetnetwerk. Merk overigens op dat er bij zowel de minimum- als de maximumtemperaturen wel verschillen in trends waren. De maximumtemperatuur van slecht gesitueerde stations nam minder toe dan die van goed gesitueerde stations. Best opmerkelijk. In mijn boek (pag.46) beweer ik nog dat de slechte situering voornamelijk tot opwarming zal leiden:

Bijna 70 procent van de stations valt zelfs in de categorie ‘fout groter dan 2 graden’. In de praktijk leidt de slechte situering trouwens vrijwel altijd tot opwarming en niet tot afkoeling (zoals bij het weerstation van het KNMI het geval was).

Dat blijkt dus niet het geval. ’s Nachts gaat dit wel op, maar overdag dus niet. Watts wijst erop dat het toeval kan zijn dat de nacht- en dagverschillen elkaar opheffen in de VS en dat het weinig zegt over trends elders in de wereld:

The finding that the mean temperature has no statistically significant trend difference that is dependent of siting quality, while the maximum and minimum temperature trends indicates that the lack of a difference in the mean temperatures is coincidental for the specific case of the USA sites, and may not be true globally. At the very least, this raises a red flag on the use of the poorly sited locations for climate assessments as these locations are not spatially representative.

Hoe dan ook, het zijn interessante tijden, hoewel er in de VS voor de Democraten meer te juichen lijkt te vallen dan voor de Republikeinen. Door de aanstaande paper van Watts en het BEST-project komt er in ieder geval eindelijk weer wat beweging in het slepende conflict over de waarde van temperatuurreeksen.

Overigens liet Pielke sr. me in Wageningen al weten dat de resultaten van de Watts paper op zichzelf nog niets zeggen over het Urban Heat Island-effect. Het gaat hier puur over de situering direct rondom het meetstation.

[Update] Goede toevoegingen van Pielke sr. die het opneemt voor de reactie van Watts en er op wijst dat Muller nog niet veel meer heeft aangetoond dan dat de drie andere groepen (NOAA, GISS en CRU) de ruwe data op min of meer dezelfde manier verwerkt hebben:

All his study has accomplished so far is to confirm that NCDC, GISS and CRU honestly used the raw observed data as the starting point for their analyses. This is not a surprising result. We have never questioned this aspect of their analyses.