Gerbrand Komen is de eerste klimaatwetenschapper die een uitgebreide inhoudelijke reactie heeft gegeven op mijn boek. Komen was tot zijn pensioen in 2006 de researchdirecteur klimaat bij het KNMI, de positie die nu bekleed wordt door Hein Haak. Hij is ook nauw betrokken geweest bij het IPCC en was onder andere de Nederlandse delegatieleider tijdens internationale IPCC-bijeenkomsten.

Komens reactie is overwegend positief en de toon van zijn betoog is ook zeer constructief. Dit is zeer belangrijk in het toch behoorlijk verziekte klimaatdebat. Ik zal de komende week proberen een voor een op zijn kritiekpunten in te gaan, want hoewel positief vindt Komen ook dat ‘het echt wel beter had gekund’. Ik knip mijn reactie in stukken op omdat het anders een veel te lang betoog wordt dat niemand gaat lezen. Eerst volgt steeds een fragment van Komen (als citaat) en daarna mijn reactie.

Algemeen
Het klimaat is complex. Het onlangs verschenen boek, ‘De staat van het klimaat’ van Marcel Crok, geeft goed zicht op die complexiteit. Een kritische en gedetailleerde bespreking van waarnemingen en modellen geeft een beeld van wat er speelt, en laat ook zien waar de onzekerheden zitten. Tegelijkertijd geeft Crok een kijkje in de keuken van de wetenschap. Daarmee levert dit boek een waardevolle bijdrage aan het maatschappelijk debat. En het kan klimaatonderzoekers prikkelen door de vele discussiepunten die worden aangeroerd.
In de traditionele wetenschap tellen alleen peer-reviewed publicaties, die een zekere kwaliteits-controle hebben ondergaan. Opvallend is dan ook het belang dat Crok hecht aan andere bronnen waaronder blogs en interviews. Het zou te kort door de bocht zijn om dat af te wijzen. Immers, internet wordt steeds belangrijker, ook in de wetenschappelijke discussie, en sommige blogs zijn wel degelijk relevant, terwijl er ook wel eens prut zit bij peer-reviewed artikelen. Uiteraard wordt het er zo niet makkelijker op om tot afwegingen te komen. Het is prijzenswaardig dat Crok toch probeert om een genuanceerde kijk op de dingen te geven.

Ik ben uiteraard heel blij dat de overall indruk van Komen zo positief is. Ik zou eraan willen toevoegen dat ik hoop dat niet alleen het maatschappelijke maar ook het wetenschappelijke klimaatdebat gestimuleerd wordt door een boek als dit. Wat dat betreft was het enigszins verontrustend dat maandag tijdens mijn KNMI-colloquium bleek dat relatief weinig KNMI-onderzoekers mijn boek gelezen hebben dan wel het aan het lezen zijn. Na afloop verkocht ik welgeteld twee boeken terwijl de zaal toch afgeladen vol was.

Tijdens de vele interviews die ik voor het boek deed merkte ik dat onderzoekers vrij vaak in hun eigen ‘wereldje’ op gaan. Er is weinig uitwisseling tussen sceptische en mainstream onderzoekers. Doordat ik wetenschappers aan alle kanten van het spectrum heb gesproken, hoop ik met het boek toch enigszins een brug te kunnen slaan tussen de ‘kampen’. Het KNMI heeft overigens blijk gegeven in het verleden open te staan voor uitwisseling van kennis met ‘andersdenkenden’. Denk aan het colloquium dat McIntyre in 2006 gaf bij het KNMI. Destijds merkte ik echter wel dat men vrij gemakkelijk overging tot de orde van de dag, zonder de inhoudelijke argumenten van McIntyre weerlegd te hebben. Hoe dan ook, ik hoop dat er op IPCC-niveau en ook op conferenties zoals de AGU en EGU veel meer uitwisseling komt tussen standpunten van laten we maar even zeggen broeikasaanhangers en critici.

Kleuring

Gegeven de complexiteit van het klimaatprobleem is een zekere kleuring welhaast onvermijdelijk. In ‘De staat van het klimaat’ overheerst – ondanks de nuances – een sceptische ondertoon.
Crok schijnt zich niet goed bewust te zijn van zijn eigen kleurende filters. In een interview in de Volkskrant (Wetenschap, 20 november 2010), zegt hij ‘Ik denk dat ik het assessment heb gemaakt dat het IPCC had moeten maken’, en ‘De lead authors bepalen wat wel en niet in de [IPCC] rapporten wordt opgenomen. Het reviewproces stelt niks voor’. Daarmee gaat hij er blijkbaar aan voorbij dat hij zelf, als enige auteur, bepaalde wat er in zijn boek is opgenomen, en lijkt hij niet in te zien dat de diversiteit binnen het IPCC de kleuring wel degelijk behoorlijk beperkt heeft.
Uiteindelijk vind ik [de hoofdtekst van] het IPCC rapport op veel plaatsen evenwichtiger dan de teksten van Crok. Daar staat tegenover dat hij op veel punten neutraler is dan sommige botte alarmisten, en genuanceerder dan de meeste sceptici. Dat ervaar ik als een verademing. Maar het had echt wel beter gekund.

Ik ben het met Komen eens dat er sprake is van een sceptische ondertoon. Dit is grotendeels het gevolg van de aanpak waarvoor ik gekozen heb. Die was als volgt: is er valide kritiek gepubliceerd op de IPCC-visie en zo ja wat heeft het IPCC daarmee gedaan? Uit mijn boek blijkt dat er inderdaad heel veel valide kritiek is op belangrijke onderwerpen in het IPCC-rapport en daarom komt het eindresultaat wellicht eenzijdig over.

Sommige mensen vragen, gaat er dan niets goed bij het IPCC? Er gaat veel goed bij het IPCC, maar helaas wel te vaak in onderdelen van het rapport die minder relevant zijn, dat wil zeggen die niet cruciaal zijn voor de zo vaak genoemde hoofdconclusies van het IPCC: de aarde warmt op en het komt door de mens. Als je de hoofdvragen langs gaat, warmt de aarde op en zo ja hoeveel, is die opwarming uniek en komt die opwarming door de mens, dan zie je bij het IPCC een neiging om de opwarming groter voor te stellen dan die waarschijnlijk is en je bespeurt tevens een tendens om het effect van broeikasgassen erg te benadrukken en dat van andere factoren af te zwakken. Dit heeft vanwege de dominante positie van het IPCC invloed gehad op het klimaatonderzoek als geheel.

Voorts het citaat uit de Volkskrant. Ten eerste vind ik het jammer dat Komen zich niet beperkt tot het boek zelf. Voor ieder woord in het boek neem ik mijn volle verantwoordelijkheid. De citaten in de Volkskrant zijn helaas niet altijd een letterlijke weergave van wat ik in het interview gezegd heb. Ik heb niet de arrogantie dat ik in mijn eentje een assessment kan overdoen van het IPCC, dat zou belachelijk zijn. Wat ik wel vaak zeg is dit: ik denk dat ik door ook weer te geven wat sceptische wetenschappers gepubliceerd hebben een eerlijker beeld geef van waar we staan op sommige cruciale onderwerpen in het klimaatdebat. Een simpel voorbeeld, IPCC zegt dat de klimaatgevoeligheid ergens tussen 2 en 4,5 graden ligt. Sceptici als Spencer en Lindzen zeggen echter dat het mogelijk slechts een halve graad is. In mijn boek vind je beide waarden terug, in het IPCC-rapport niet. Op dit punt geeft mijn boek dus een eerlijker beeld van wat er in de literatuur gepubliceerd is. IPCC zal wellicht zeggen, we vinden die waarden te onwaarschijnlijk en hebben ze daarom weggelaten. Daarmee kom je op de rol van het IPCC, zijn ze gatekeeper of honest broker?

Temperatuurreeksen

Crok illustreert goed dat de temperatuurreeksen minder zeker zijn dan vaak gesuggereerd wordt: voor buitenstaanders misschien verontrustend; binnen een relatief kleine groep onderzoekers een bron van voortdurende zorg. Er wordt wel aangedrongen op een nieuwe onafhankelijke analyse van de bestaande gegevens, maar het is m.i. nog maar de vraag of dat de onzekerheid weg kan nemen. Een essentieel probleem is immers dat metingen later niet nog eens over gedaan kunnen worden. Het is daarom belangrijk dat het huidige Global Climate Observing System meer steun krijgt. Maar daar hoor je weinig over. Al met al een typisch voorbeeld van een glas water, dat half vol is of half leeg. Je kunt mopperen op onderzoekers, maar je kunt ook blij zijn met wat er is bereikt is en met de pogingen om tot verbetering te komen.

Hier verschillen Komen en ik duidelijk van mening. Ik ben echt van mening dat de klimaatwetenschappers die verantwoordelijk zijn voor de mondiale datasets onvoldoende transparant en ook eerlijk zijn over wat er bereikt is. H2 van mijn boek toont de vele problemen en een onderzoeker als Pielke sr. probeert al jarenlang tevergeefs duidelijk te maken aan het IPCC dat de 2-meter metingen niet geschikt zijn voor klimaatmonitoring. Niettemin blijft het IPCC de mondiale temperatuur promoten als de belangrijkste indicator voor global warming.

Maandag tijdens het KNMI-colloquium probeerde ik duidelijk te maken dat de problemen met de meetstations zo groot zijn dat op mondiale schaal niet of nauwelijks te bewijzen is dat het nu warmer is dan rond 1940. Het IPCC gaat er vanuit dat het nu 0,5 graden warmer is dan rond 1940 en schrijft die opwarming toe aan broeikasgassen. Ik ben het wel met Komen eens dat het maar de vraag is of opnieuw beginnen de problemen kan oplossen. Maar stap één is dat het IPCC de problemen erkent en veel minder stellig doet over de mondiale temperatuur. Zeker na de dramatische afname van het aantal stations in 1990 is het meetnetwerk in mijn ogen nauwelijks meer te vertrouwen.

Een mogelijke oplossing is dat er per land opnieuw gezocht gaat worden in de archieven naar alle mogelijke metadata. Iets dergelijks deed John Christy recent voor Kenia en Tanzania. Uit dat werk bleek dat de maximumtemperatuur de afgelopen eeuw in die twee landen niet noemenswaardig is gestegen. De minimumtemperatuur wel, maar zo waarschuwt Christy, deze Tmin kan heel goed beïnvloed zijn door lokale processen en weinig te maken hebben met het versterkte broeikaseffect. Als ik het mocht zeggen en een zak geld zou hebben, dan zou ik dergelijke studies doen voor zoveel mogelijk gebieden in de wereld. Het opnieuw door de molen halen van de data van GHCN heeft in mijn ogen weinig zin.